Uitspraak
1.Geding in cassatie
's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal gepleegd op 22 augustus 2015 en kreeg een gevangenisstraf van drie weken opgelegd. Het hof motiveerde de strafoplegging mede door toepassing van het taakstrafverbod uit artikel 22b Sr, omdat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het feit een taakstraf had opgelegd gekregen voor een soortgelijk misdrijf.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat uit het uittreksel van de justitiële documentatie kan worden afgeleid dat de verdachte deze taakstraf daadwerkelijk heeft verricht of dat de vervangende hechtenis is bevolen. Het uittreksel vermeldt wel een veroordeling tot een werkstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, maar biedt onvoldoende steun voor de conclusie dat het taakstrafverbod van toepassing is.
Daarom is het oordeel van het hof over de toepassing van het taakstrafverbod niet begrijpelijk en is de strafoplegging onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing in hoger beroep.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 21 mei 2019.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.