Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
29 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 mei 2017. De strafzaak heeft betrekking op belastingfraude en valsheid in geschrift waarbij valse vluchtfacturen en een Luxemburgse bankrekening centraal stonden.
Het cassatieberoep richt zich onder meer op de intrekking van een dagvaarding na een gegrond verklaard bezwaarschrift en het opgewekte vertrouwen dat verdachte niet verder zou worden vervolgd vanwege een transactieafspraak met het Openbaar Ministerie. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman van verdachte schriftelijk reageerde.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. Het beroep wordt derhalve verworpen.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en van Strien, en uitgesproken op 29 januari 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand.