Conclusie
Nummer23/00521
Inleiding
Het middel
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
11.september 2019: TCI proces-verbaal
19.september 2019: doorzoekingen
21.oktober 2019: verhoor verdachte
het onderzoek zou kunnen worden gestaakt (cursivering: hof). Uiteindelijk heeft op 26 februari 2020 officier van justitie mr. Van Bree, en op 28 februari 2020 de verdachte, de hierboven geciteerde transactie ex artikel 74 van Pro het Wetboek van Strafrecht ondertekend.
bovendienhet onderzoek zou kunnen staken. Zoals reeds hiervoor is geconcludeerd, mocht de verdachte er naar het oordeel van het hof vanuit gaan dat het strafrechtelijk onderzoek INCA niet slechts zag op de verdenking van witwassen, maar ook op de verdenking van overtreding van de Opiumwet. Dit wordt nog versterkt door het volgende. Aan de verdachte is het transactie-aanbod gedaan onder de voorwaarde dat hij onder meer afstand zou doen van de inbeslaggenomen Bitcoins. De Bitcoins zijn juist veiliggesteld als gevolg van de nadere onderzoeksbevindingen aan de USB-sticks en iMac die op 19 september 2019 in beslag zijn genomen.
eerste deelklachtdie in cassatie naar voren wordt gebracht, is gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte er (gerechtvaardigd) op mocht vertrouwen dat hij niet zou worden vervolgd. In dat verband wijst de steller van het middel om te beginnen op de tekst van de transactie, als weergegeven door het hof, waarin alleen gesproken wordt over de witwasverdenking (onder 5.2 van de schriftuur, eerste alinea).
tweede deelklachtis gericht tegen het hof dat ook het subsidiaire standpunt van de advocaat-generaal moet worden verworpen. De argumentatie hiervoor is in wezen gelijk aan de eerste deelklacht. Betoogd wordt immers expliciet niet dat sprake was van “nieuwe bezwaren” ter zake van Opiumwetfeiten, maar wel dat het onderzoek “Inca” nooit op Opiumwetfeiten gericht is geweest (onder 5.4).
NJ1978/358, m.nt. Th. W. van Veen). [15] Die vraag laat ik hier als zodanig rusten, maar de zwaarte van de inbreuk die het honoreren van gerechtvaardigd vertrouwen maakt op andere belangen kan nog wel relevant zijn voor de vraag of het vertrouwen inderdaad gerechtvaardigd is. Daar kom ik nog op terug.
NJ1985/41) ging het om een verdachte die was aangehouden met een vuurwapen en in verzekering was gesteld op grond van een verdenking ter zake van kort gezegd verboden wapenbezit, strafbare dwang en bedreiging. Iets meer dan een jaar later ontving de raadsman van de verdachte van de officier van justitie het bericht dat “de strafzaak” was geseponeerd. De raadsman noch de verdachte kon echter weten dat de strafzaak “administratief onder verschillende nummers was ingeschreven”; en later werd de verdachte voor een deel van de feiten alsnog gedagvaard. Het hof oordeelde dat de verdachte erop had mogen vertrouwen “dat het sepot betrekking had op het gehele strafrechtelijke gebeuren” en niet slechts op een deel daarvan en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad verwierp het hiertegen ingestelde cassatieberoep.
onderzoeken niet om het afzien van
vervolging,zoals art. 167 lid 2 Sv Pro het formuleert. Dat de verdachte gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat het openbaar ministerie tot een dergelijk sepot zou beslissen bij een ernstig feit zoals (internationale) drugshandel, vergt een nadere onderbouwing, die het hof echter niet geeft.
eerste deelklacht.
tweede deelklachtzal overigens niet kunnen slagen. De steller van het middel richt zich tegen het oordeel van het hof, inhoudende dat nieuwe bezwaren niet relevant zijn voor het al dan niet aannemen van een vervolgingsbeletsel, met de klacht dat geen sprake was van nieuwe bezwaren. Deze deelklacht treft evident geen doel.