Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
16 juni 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam. Namens verdachte werd een cassatiemiddel voorgesteld door zijn advocaat. Vervolgens heeft de raadsman het cassatiemiddel ingetrokken, waardoor het cassatieberoep feitelijk geen grond meer had om te worden behandeld.
De advocaat-generaal concludeerde dat de verdachte niet-ontvankelijk moest worden verklaard in het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat, nu het cassatiemiddel was ingetrokken, het beroep niet in behandeling kon worden genomen, overeenkomstig eerdere jurisprudentie (HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4299).
De Hoge Raad heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het gerechtshof Amsterdam gehandhaafd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de strafkamer tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het cassatiemiddel.