Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beoordeling van het vijfde namens de verdachte voorgestelde cassatiemiddel
4.Beslissing
16 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een verkrachting en doodslag op een 15-jarig meisje nabij Eindhoven in 1995, gepleegd door een toen 28-jarige verdachte. Na een langdurige procedure, waaronder een cassatieberoep, heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 oktober 2018 beoordeeld.
De Hoge Raad heeft meerdere cassatiemiddelen van de verdachte en benadeelden onderzocht, waaronder kwesties over de bevoegdheid tot beoordeling van beslissingen over vorderingen van benadeelden, het niet oproepen van deskundigen, DNA-bewijs, ontbrekende stukken en schriftuur van benadeelden. Deze klachten leidden niet tot vernietiging van het hofarrest.
Wel is geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, mede doordat de stukken te laat door het hof werden ingezonden en de cassatieprocedure meer dan zestien maanden duurde terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. Dit leidde tot vernietiging van het deel van het arrest dat de gevangenisstraf betrof en tot vermindering van de straf tot elf jaar en acht maanden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het overige en handhaafde daarmee het hofarrest voor zover het niet de strafduur betrof.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.