Conclusie
Nummer19/05920
De procedure in cassatie
moord”, 2. “
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 3. “
schuldheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een negentiental in beslag genomen voorwerpen, en heeft het beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de tien benadeelde partijen, een en ander als in het arrest vermeld.
Waarover gaat deze zaak?
Het namens de verdachte voorgestelde middel
De namens benadeelde partijen voorgestelde middelen
In deze strafzaak hebben zich tien benadeelde partijen (NN1 t/m NN10) gevoegd met vorderingen tot schadevergoeding. Uit veiligheidsoverwegingen zijn de personalia van de benadeelde partijen tijdens de zitting niet genoemd; deze zijn bekend bij het hof, de procespartijen en de advocaten van de desbetreffende benadeelde partijen. Ook in dit arrest zal het hof de benadeelde partijen aanduiden als NN1 t/m NN10. Met uitzondering van NN7 en NN10 zijn zij familieleden van het slachtoffer.”
Het eerste middel
berekenenvan het gederfde levensonderhoud van NN8 en NN9. Het gaat om een bedrag van € 553,95, onderbouwd met een factuur van de deskundige.
materiëleschade het volgende overwogen (p. 14-15 van het bestreden arrest):
Vordering van NN7
De vordering van NN7
De vorderingen van NN8 en NN9
aannemelijk is dat NN8 en NN9 niet zelf de kosten voor het berekenen van gederfd levensonderhoud (€ 553,95) hebben gedragen.”
ingevuld” dat NN8 en NN9 deze kosten niet zelf hebben gedragen. Hierover heeft het hof op zitting geen vragen gesteld aan de benadeelde partijen en het is op de terechtzitting ook niet aan de orde gekomen, zodat deze overweging een verrassingsbeslissing is die bovendien onbegrijpelijk of althans onvoldoende gemotiveerd is, aldus de steller van het middel. In de toelichting op het middel wordt erkend dat de factuur op naam is gesteld van NN7, maar wordt erop gewezen dat daarmee niet is gezegd wie die factuur heeft betaald.
eenvoudige en laagdrempelige” aard van de behandeling van de vordering van de benadeelde partij binnen het strafproces. [4] Een onevenredige belasting van het strafgeding moet worden vermeden. [5] Voor bewijslevering door de benoeming van deskundigen en voor getuigenverhoren met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij is in het strafproces geen ruimte. [6] Indien de strafrechter niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen wat zij ter staving van de vordering of tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren, kan – of zelfs:
moet– de strafrechter bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Dat kan tegelijk met de einduitspraak dan wel eventueel reeds bij aanvang van het onderzoek ter terechtzitting. [7] Complexe vorderingen tot vergoeding van schade, met inbegrip van vorderingen waarin complexe vragen van civiel recht worden opgeworpen, moeten mijns inziens aan de burgerlijke rechter worden toevertrouwd. [8]
nietkunnen worden vastgesteld aan de hand van de processtukken. Dat zijn doorgaans feiten die bepalend zijn voor de aard en omvang van de schade waarvan de vergoeding wordt gevorderd.
de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt”. [11] Daaraan voegde de Hoge Raad in dat arrest toe (onderstreping mijnerzijds):
Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwenen de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.”
In dat verband verdient opmerking dat de in art. 6:106 BW Pro bedoelde billijkheid de rechter een bepaalde mate van vrijheid geeft bij het bepalen van de hoogte van de verschuldigde schadevergoeding, maar dat de enkele verwijzing naar de billijkheid niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een van de hiervoor onder 2.3.2 bedoelde gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Ook de enkele zich hier voordoende omstandigheid dat de (hoogte van de) schadevergoeding in hoger beroep niet is weersproken en dat de verdediging zich in eerste aanleg aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd, volstaat daartoe niet. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in rov. 2.8.3 van het hiervoor onder 2.3.2 genoemde arrest van 28 mei 2019 zal de rechter, in het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, weliswaar uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv Pro) en zal de vordering in de regel worden toegewezen,maar dat is anders als de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet kan niet worden toegewezen.”
zodat die integraal voor toewijzing vatbaar is”) en de verdachte zich in dat proces mogelijk gedwongen voelt om aan dat appel gehoor te geven door verweren prijs te geven, bevindt hij zich in effect in een positie gelijk aan die van een gedaagde die in een civiele procedure verstek laat gaan. Het is onder die omstandigheden verstandig om de strafrechter ambtshalve (en marginaal) te laten toetsen of er voor toewijzing van de vordering rechtsgronden en feitelijke gronden bestaan.
aannemelijk is dat NN8 en NN9 niet zelf de kosten voor het berekenen van gederfd levensonderhoud (€ 553,95) hebben gedragen.” In dat oordeel ligt besloten dat voor toewijzing van de vorderingen van NN8 en NN9
onvoldoende is komen vast te staan dat NN8 en NN9
zelfde kosten voor het berekenen van gederfd levensonderhoud hebben gedragen. Aangezien de verdachte (of zijn verdediging) zich over dit onderwerp niet heeft uitgelaten – en dus ook niet heeft betwist dat NN8 en NN9 deze kosten wel degelijk hebben gedragen –, valt uit ’s hofs overweging af te leiden dat het hof van oordeel is dat NN8 en NN9 in het geding niet (onweersproken) hebben
gestelddat zij deze kosten
zelfhebben gedragen. Daarmee hebben NN8 en NN9 dus niet voldaan aan hun stelplicht, aldus versta ik het hof.
dater schade is geleden en zo ja, eventueel naar schatting, in welke omvang.
Het tweede, derde en vierde middel
Vergoeding van immateriële schade
ander nadeel”, maar dit laatste uitsluitend voor zover de wet (in formele zin) recht geeft op vergoeding hiervan. [17] Met ‘ander nadeel’ wordt bedoeld schade die niet uit vermogensschade bestaat, oftewel: immateriële schade. Een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet, kan dus niet worden toegewezen.
NJ2019/379 m.nt. Vellinga, over de vordering van de benadeelde partij, heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.” [20]
op andere wijze’ (dan doordat deze persoon lichamelijk letsel heeft opgelopen of in zijn eer en goede naam is geschaad), vergt het bestaan van voldoende ernstige psychische schade die aan deze persoon is toegebracht. Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade op de grondslag van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde delict ‘geestelijk letsel’ heeft opgelopen. Voor persoonsaantasting als hier bedoeld is meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen niet voldoende. [21] ‘Geestelijk
letsel’ draagt naar mijn inzicht een meer duurzaam en ingrijpend karakter dan bijvoorbeeld ‘geestelijke
pijn’. Nodig is dat het bestaan van geestelijk letsel ‘naar objectieve maatstaven’ kan worden vastgesteld. [22]
dat een inbraak in een woning, en daarmee een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Daarnaast ligt niet voor de hand om een dergelijke aantasting in de persoon aan te nemen als de nadelige gevolgen enkel bestaan in het verlies van een voorwerp. De omstandigheid dat een voorwerp - naast zijn in geld uit te drukken waarde, die ingevolge art. 6:95 en Pro 6:96 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt - ook een ‘emotionele waarde’ had, volstaat in beginsel niet om te kunnen aannemen dat het verlies van dit voorwerp een aantasting in de persoon oplevert.” [24]
De motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat Van Heijbeek onvoldoende heeft onderbouwd dat hij door de mishandelingook op andere wijze in zijn persoon is aangetastin de zin van de zojuist aangehaalde wetsbepaling, faalt echter. Voor de toewijsbaarheid van een hierop gerichte vordering is uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Weliswaar is niet in alle gevallen uitgesloten dat een uitzondering op dit uitgangspunt wordt aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, maar in het onderhavige geval heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeelddat daartoe onvoldoende is gesteld.” [25]
naastenvan een overleden (of gekwetste) persoon op grond van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ aanspraak hebben op de vergoeding van immateriële schade die zij hebben ondervonden als gevolg van een overlijden waarvoor een ander aansprakelijk is. [26] De achterliggende gedachte is dat de daad niet alleen onrechtmatig kan zijn jegens degene die daardoor rechtstreeks wordt getroffen, maar ook jegens degene van wie de schade in een verder verwijderd verband met de onrechtmatige daad staat. Het antwoord van de Hoge Raad op die vraag kwam met het zogeheten ‘taxibus-arrest’.
4.3 Indien iemand door overtreding van een veiligheids- of verkeersnorm een ernstig ongeval veroorzaakt, handelt hij in een geval als hier bedoeld niet alleen onrechtmatig jegens degene die dientengevolge is gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood of gewond. De daardoor ontstane immateriële schade komt op grond van het bepaalde in art. 6:106 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.”
NJ2010/387 (
[…]/Reaal), ook wel de ‘Vilt-zaak’ genoemd, ging het om een verkeersongeval waarbij drie doden waren te betreuren. Het verongelukte voertuig was achtervolgd (opgejaagd) en tegen een boom gereden. De WAM-verzekeraar van de dader werd aangesproken. De (civiele kamer van de) Hoge Raad oordeelde dat de algemene gezichtspunten die in het ‘taxibus-arrest’ waren gegeven, waaronder het aspect dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om af te wijken van het restrictieve wettelijke stelsel, nog onverkort gelden, ook voor gevallen waarin het verkeersongeval
opzettelijkis veroorzaakt. De Hoge Raad overwoog daartoe:
Met art. 6:106 BW Pro is beoogd vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade slechts in beperkte mate mogelijk te maken, in verband waarmee voor vergoeding van shockschade alleen onder strikte voorwaarden plaats is. Hiermee strookt niet het vereiste van waarneming van het ongeval of directe confrontatie met zijn ernstige gevolgen vanwege de aard of ernst van de normschending, zoals vanwege het opzettelijk begaan daarvan, terzijde te stellen of af te zwakken.”
NJ2007/223, stond de moeder naast haar dochter toen de ex-partner van een andere dochter haar dochter doodschoot. De moeder ving haar dochter op, die daarna in haar armen stierf. Ter terechtzitting werd namens de moeder als benadeelde partij aangevoerd dat haar shocktoestand en angsten zullen uitmonden in medische hulp. Over de toestand van de benadeelde partij was ter zitting een medische verklaring van een huisarts overgelegd, doch zonder dat die verklaring melding maakte van de verwijzing naar een psycholoog of een psychiater. Het hof had een vergoeding voor shockschade toegewezen, maar de Hoge Raad oordeelde: “
Voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd, is gelet op dat arrest vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.” Het hof had onvoldoende blijk gegeven te hebben onderzocht of in het onderhavige geval aan dat vereiste was voldaan.
De benadeelde partij, de vader van het slachtoffer, bij wie het slachtoffer samen met haar 8 maanden oude dochtertje inwonend was, heeft het slachtoffer badend in het bloed en door ongeveer 37 messteken om het leven gebracht, aangetroffen in zijn woonkamer. De vader en het slachtoffer hadden een heel intense band. Deze confrontatie heeft bij de vader een grote psychische schok teweeggebracht en het beeld van dit vreselijke tafereel staat nog steeds op zijn netvlies gegrift.” Het hof wees een vordering tot vergoeding van shockschade toe. Vaststond dat de benadeelde partij na dit voorval een behandeling had ondergaan bij een GGZ-instelling. Een sociaalpsychiatrisch verpleegkundige relateerde dat de vader had moeten verhuizen omdat de herinneringsbeelden hem te veel werden. Het hof zelf achtte de foto’s van de PD schokkend en oordeelde dat geen nadere psychologische of psychiatrische rapportage nodig was. De Hoge Raad oordeelde anders. Voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd was, aldus de Hoge Raad, vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ook hier had het hof onvoldoende blijk gegeven te hebben onderzocht of in het onderhavige geval aan deze vereisten van het taxibus-arrest was voldaan.
NJ2016/70, was het levenloze lichaam van een van de twee slachtoffers een maand na zijn vermissing in een rioolput teruggevonden. Zijn moeder, de benadeelde partij, had het lichaam van haar geliefde zoon niet meer gezien omdat haar dat was afgeraden. Wel had zij nog – onbedoeld – een foto van haar overleden zoon gezien. De benadeelde partij ging gebukt onder depressiviteit, flauwtes, duizelingen, slecht slapen, concentratiestoornissen, vergeetachtigheid, verminderde eetlust, sterk verminderde levensvreugde, huilbuien en gevoelens van machteloosheid. Zij stond onder behandeling van een psychiater en psycholoog. Namens de benadeelde partij was een brief overgelegd die mede was ondertekend door een psychiater en waarin omtrent de benadeelde partij werd medegedeeld dat zij was gediagnosticeerd met een rouwreactie en met psychosociale stressfactoren (diagnoses op de tweede en derde as van de DSM 4 waren “
uitgesteld”, respectievelijk “
niet vastgesteld”). Het hof had een vordering ter vergoeding van shockschade toegewezen, maar de Hoge Raad oordeelde naar aanleiding van een motiveringsklacht dat het hof onvoldoende blijk had gegeven te hebben onderzocht of in het onderhavige geval aan het vereiste van vaststelling van geestelijk letsel was voldaan. Uit de genoemde brief kon dat niet worden afgeleid.
NJ2017/88 m.nt. Lindenbergh, liet de Hoge Raad een toewijzing van de vordering van de benadeelde partij op grond van shockschade in stand. Volgens de vaststellingen van het hof had een man zijn echtgenote omgebracht door haar met een vuurwapen tegen haar gezicht en hoofd te slaan en door haar te wurgen. Hun beider zoon was naar de plaats delict gegaan nadat zijn vrouw door de verdachte was gewaarschuwd. Hij trof zijn moeder onverhoeds met ernstig gezichts- en schedelletsel aan. Dat had geleid tot ernstige psychische gevolgen, in de vorm van een medisch vastgesteld psychiatrisch ziektebeeld, te weten een posttraumatische stressstoornis (PTSS), waarvoor hij gedurende ruim één jaar een behandeling had moeten ondergaan, waarvan vanwege een suïcidepoging ook een deel intramuraal. Voorafgaand aan de confrontatie met zijn overleden moeder had de benadeelde partij geen psychische klachten en bovendien was niet gebleken van een andere oorzaak van de psychische gevolgen. De Hoge Raad achtte ’s hofs oordeel over de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
NJ2017/89 m.nt. Lindenbergh, had het hof vastgesteld dat de benadeelde partij, de 13-jarige zoon van het slachtoffer, nog had getracht zijn moeder te helpen, maar uiteindelijk had moeten toezien hoe zijn stiefvader zijn moeder met messteken om het leven bracht. Aannemelijk was dat deze omstandigheden bij de benadeelde partij een zodanige emotionele schok hadden veroorzaakt dat psychisch letsel als gevolg daarvan bij hem was opgetreden. Dit psychisch letsel (PTSS) was genoegzaam – met een verklaring van de behandelend GZ-psycholoog – onderbouwd en aannemelijk gemaakt. De Hoge Raad liet dit oordeel op zichzelf in stand, doch vernietigde uitsluitend de door het hof vastgestelde hoogte van de shockschade (€ 25.000), mede gelet op hetgeen namens de verdachte ter betwisting was aangevoerd omtrent de beoordeling van vergelijkbare gevallen en het ontbreken van concrete vaststellingen ten aanzien van bijvoorbeeld de duur en de intensiteit van het letsel en de verwachtingen ten aanzien van het herstel.
NJ2019/111, had de verdachte een man en een vrouw, echtgenoten, tegelijk aangevallen en onder meer met een mes gestoken. De man was zwaargewond en de vrouw lichtgewond. De man heeft op de IC gelegen, maar heeft de aanval overleefd. De vrouw vorderde onder meer de vergoeding van shockschade op de grond dat zij – volgens een slachtofferverklaring – sinds de aanval leefde in een soort van shocktoestand, angstig was geworden en aanvankelijk alleen kon functioneren met de hulp van anderen. Het hof wees een bedrag van € 1500 toe aan schadevergoeding. De Hoge Raad casseerde met de motivering dat het vereiste geestelijk letsel niet was vastgesteld.
ontoereikend achtte, was dat vanwege manco’s in de onderbouwing van het bestaan van geestelijk letsel. In die gevallen echter waarin de toewijzing van een op shockschade gegronde vordering in cassatie standhield, was de aangetaste persoon naar de vaststellingen van het hof blijkens medische verklaringen ondubbelzinnig gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Een sterke indicatie voor de toewijsbaarheid van de vordering is dus of de betrokkene in de strafzaak door medici is gediagnosticeerd met een PTSS die is veroorzaakt door de (rechtstreekse) waarneming van een gebeurtenis die heeft geleid tot de dood of letsel of van de ernstige gevolgen van die gebeurtenis.
(kort)nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden” (mijn onderstreping). Daarmee wordt weliswaar tussen haakjes, en zodoende wellicht niet dwingend, maar toch een temporeel verband gelegd tussen de gebeurtenis enerzijds en de confrontatie met de ernstige gevolgen ervan anderzijds. Wat mij betreft is de duur van het tijdsverloop tussen de gebeurtenis (de onrechtmatige daad) en de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan niet doorslaggevend. Denkbaar is bijvoorbeeld een geval waarin een kind wordt ontvoerd en zonder dat de moeder het weet vrijwel direct wordt gedood. Pas na lange tijd ontdekt de moeder, die de hoop nog niet had verloren, het levenloze lichaam van haar kind. Als gevolg van de hevige schok bij de onverhoedse confrontatie met het lichaam loopt zij aantoonbaar een PTSS op. In zo’n geval vormt het tijdsverloop tussen de moord en de confrontatie met het lichaam mijns inziens geen enkele reden om de vordering tot vergoeding van shockschade af te wijzen.
waarnemingvan de gebeurtenis die tot de dood of de verwonding heeft geleid, dan wel van de dood of de verwonding zelf. Dit doet de naaste van het slachtoffer onverwachts beseffen wat er gebeurt of is gebeurd. Als die waarneming en dat besef hem of haar niet meer loslaten en niet goed worden verwerkt, kan dat tot geestelijk letsel leiden, aldus versta ik de gedachte die achter deze rechtspraak schuilgaat.
keuzeheeft om al dan niet met schokkende informatie te worden geconfronteerd.
geenvordering geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden. [29]
De overwegingen van het hof
immateriële schade heeft het hof NN8 en NN9 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat zij die vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Het tweede middel
meteen na het misdrijf” heeft waargenomen.
Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden.” Hierin legt de Hoge Raad zelf een temporeel verband tussen de gebeurtenis die tot de dood of het letsel heeft geleid en de confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Door plaatsing van het woordje ‘kort’ tussen haakjes, geeft de Hoge Raad evenwel te kennen dat dit temporele verband niet altijd cruciaal is. Een dergelijke nuance lijkt bij het hof te ontbreken.
Het derde middel
hetgeen in het algemeenslechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.” Daaruit leidt de steller van het middel af dat wel degelijk kan zijn voldaan aan de criteria voor toekenning van shockschade, zonder dat een benadeelde partij een medische verklaring kan overleggen waaruit volgt dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het hof daarentegen gaat ervan uit dat er per definitie sprake moet zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee legt het hof een onjuiste, want te strenge maatstaf aan, aldus de steller van het middel.
Daarvoor is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.”
allegevallen zal het bestaan van geestelijk letsel (waardoor iemand in zijn persoon is aangetast) in rechte moeten kunnen worden vastgesteld, en
kunnenopmaken dat niet is voldaan aan de hiervoor onder (1) genoemde voorwaarde voor toewijsbaarheid van de vorderingen.
Het vierde middel
naastenvan een overledene of gekwetste persoon op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW recht op vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat worden toegekend, namelijk wanneer moet worden aangenomen dat de naaste ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’ (het geval van shockschade).
naastevan de benadeelde in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW gelijk opgaat met de benadeelde zelf.