Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
partiële intrekking cassatie” d.d. 8 oktober 2019 van het cassatieberoep waren uitgezonderd en dat een zodanige beperking van het cassatieberoep naar mijn inzicht is toegelaten. Namens de benadeelde partijen zijn middelen van cassatie ingediend met klachten over beslissingen die – dus – niet (meer) aan cassatieberoep onderworpen zijn. Het kwam mij voor dat de Hoge Raad – vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen – niet kan worden geroepen tot een oordeel over een onderdeel van het bestreden arrest dat niet aan cassatieberoep onderhevig is. Ik volgde daarin het standpunt van mijn ambtgenoot Hofstee bij conclusie van 3 maart 2020 in de zaak met rolnummer 19/00902, [1] die zich op zijn beurt had aangesloten bij het standpunt van ons beider voormalige ambtgenoot Knigge.
dat in het geval dat (i) de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie ontvankelijk is in het ingestelde cassatieberoep en (ii) de benadeelde partij een schriftuur heeft doen indienen inzake een rechtspunt over haar vordering, de Hoge Raad bevoegd is tot de beoordeling van die namens de benadeelde partij ingediende schriftuur, ook indien de verdachte of het openbaar ministerie het cassatieberoep in die zin heeft beperkt dat het zich – bijvoorbeeld – niet richt tegen de beslissing van het hof over de vordering van de benadeelde partij.”
[benadeelde 1], met wie hij zich in de echt had verbonden. [benadeelde 1] is aangesteld als (toeziend) voogd van [slachtoffer] . [benadeelde 1] heeft [slachtoffer] opgevoed als haar eigen dochter.
[benadeelde 2], dochter van [benadeelde 1] , met wie [slachtoffer] als een zus door het leven ging.
Het namens [benadeelde 4] ingediende middelklaagt over de afwijzing van de vordering van [benadeelde 4] op de grond dat artikel 8 EVRM Pro er niet toe noopt dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden die een familielid verliezen als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. Volgens de steller van het middel kan op basis van artikel 6:106 onder Pro b BW en artikel 8 EVRM Pro wel degelijk een (immateriële) schadevergoeding worden uitgekeerd.
“D.4.
Voor zover de advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] tot slot heeft betoogd dat er sprake is van schending van artikel 8 EVRM Pro, het recht op ‘family life’, en dat deze schending er toe zou moeten leiden dat er een vergoeding wordt toegekend kan dit evenmin ertoe leiden dat zij worden ontvangen in hun vorderingen. Ten aanzien van het recht op familie- en gezinsleven als neergelegd in artikel 8 EVRM Pro heeft de Hoge Raad in het zogenoemde Taxibus-arrest (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) overwogen dat het ongeval (dat in die zaak had plaatsgevonden) als zodanig niet een inbreuk is op het recht op eerbiediging van ‘family life’. Voorts noopt artikel 8 EVRM Pro er niet toe dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan nabestaanden die een familielid verliezen als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. De Hoge Raad heeft daar in het arrest Vilt van 9 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI8583) aan toegevoegd dat dit niet anders is als het gaat om (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden van de slachtoffers van een opzettelijk misdrijf. In het zogenoemde Taxibus-arrest heeft de Hoge Raad voorts nog overwogen dat het toekennen van schadevergoeding weliswaar mede kan worden gezien als een erkenning van en genoegdoening voor het verdriet wegens de dood van het slachtoffer, maar dat het niet ertoe kan bijdragen dat de nabestaanden in staat worden gesteld overeenkomstig de strekking van artikel 8 EVRM Pro een normaal gezinsleven te leiden.”
ander nadeel”, maar dit laatste uitsluitend voor zover de wet (in formele zin) recht geeft op vergoeding hiervan. Met ‘ander nadeel’ wordt bedoeld schade die niet uit vermogensschade bestaat, oftewel: immateriële schade. Een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet, kan dus niet worden toegewezen.
op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.
4.2 Het stelsel van de wet brengt mee dat nabestaanden ingeval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, geen vordering geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden. Art. 6:108 BW Pro[oud, D.A.]
geeft immers in een dergelijk geval slechts aan een beperkt aantal gerechtigden de mogelijkheid tot het vorderen van bepaalde vermogensschade. Hoewel deze bepaling van tamelijk recente datum is, kan er grond bestaan om de redenen die tot de daarin neergelegde regeling van de schadevergoeding hebben geleid, te heroverwegen. Niet uitgesloten is dat het wettelijk stelsel onvoldoende tegemoet komt aan de maatschappelijk gevoelde behoefte om aan degenen die in hun leven de ernstige gevolgen moeten ondervinden van het overlijden van een persoon tot wie zij - zoals hier - in een affectieve relatie hebben gestaan, enige vorm van genoegdoening te verschaffen. Het gaat echter de rechtsvormende taak van de rechter te buiten te dezer zake in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een vergoeding toe te kennen. In de eerste plaats zou immers opnieuw een, aan de wetgever voorbehouden, afweging moeten worden gemaakt van de voor- en nadelen die aan het huidige stelsel verbonden zijn. Voorts vergt een herziening van het bestaande stelsel een afbakening van de gevallen waarin een vergoeding passend wordt gevonden en een concrete aanwijzing van de personen aan wie een dergelijke vergoeding toekomt. Ten slotte is het ook aan de wetgever te beoordelen of, en zo ja in hoeverre, aan de toekenning van een dergelijke vergoeding financiële grenzen gesteld moeten worden in verband met de consequenties die daaraan kunnen zijn verbonden.”
Ook al is aannemelijk dat (…) de moeder van een jong kind dat bij een ernstig verkeersongeval om het leven is gekomen, valt in de categorie van personen die het meest in aanmerking zouden komen voor de toekenning van een vergoeding ter zake van, zoals het in het algemeen wordt aangeduid, affectieschade, dan nog kan de rechter daarin niet de vrijheid vinden om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, aan haar een vergoeding toe te kennen.”
family life’ tussen een ouder en zijn (minderjarig) kind leidde volgens dat betoog tot de wettelijke erkenning in de vorm van (de mogelijkheid van) toekenning van immateriële schadevergoeding aan een ouder in verband met het overlijden van een kind als gevolg van een onrechtmatige daad van een ander. De Hoge Raad passeerde dit onderdeel van het middel op grond van het volgende:
In de eerste plaats heeft de bestuurder van de taxibus die het onderhavige ongeval heeft veroorzaakt, een verkeersnorm overtreden met als tragisch gevolg voor [de moeder] het verlies van haar dochter, doch het veroorzaken van dit ongeval is als zodanig niet een inbreuk op het recht op eerbiediging van "family life" van [de moeder]. In de tweede plaats kan niet als juist worden aanvaard dat art. 8 EVRM Pro ertoe noopt dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. Het toekennen van schadevergoeding kan weliswaar mede worden gezien als een erkenning van en genoegdoening voor het verdriet wegens de dood van een kind, maar kan niet ertoe bijdragen dat in het onderhavige geval de moeder van het kind, (…), in staat wordt gesteld overeenkomstig de strekking van art. 8 EVRM Pro een normaal gezinsleven te leiden. Ten slotte ziet het onderdeel eraan voorbij dat art. 6:108 niet Pro een beperking inhoudt van een bestaand recht op schadevergoeding, doch juist de grondslag biedt voor een uitbreiding van het recht op schadevergoeding waarop de benadeelde ten opzichte van wie niet onrechtmatig is gehandeld, anders geen aanspraak zou kunnen maken. Zoals hiervoor in punt 4.2 is overwogen gaat een verdere uitbreiding de rechtsvormende taak van de rechter te buiten.”
op grond van het bepaalde in art. 6:106 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking [komt]. Daarvoor is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.”
opzettelijkis veroorzaakt. [6] Artikel 8 EVRM Pro schrijft niet voor dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander, aldus oordeelde de (civiele kamer van de) Hoge Raad andermaal.
Onder de limitatieve opsomming in art. 6:106 BW Pro valt niet de schade in verband met het verdriet om het overlijden of het door ernstig en blijvend letsel gekwetst raken van een naaste, de zogenoemde ‘affectieschade’. Door de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Stb. 2018, 132), wordt de kring van tot schadevergoeding gerechtigden echter verruimd in die zin dat het voor de in art. 6:107, tweede lid, BW en art. 6:108, vierde lid, BW genoemde naasten van slachtoffers mogelijk wordt om een (forfaitaire) vergoeding van affectieschade te vorderen indien sprake is van overlijden of ernstig en blijvend letsel van het slachtoffer.”
op andere wijze in zijn persoon is aangetast” (wederom artikel 6:106 onder Pro b BW). [10] De steller van het middel miskent echter dat het in die uitspraak niet ging om schade die werd ondervonden door derden (naasten van het slachtoffer), maar om (emotionele) schade die het gevolg was van diefstal van een voorwerp waaraan de eigenaars, de slachtoffers van de diefstal zelf, zeer waren gehecht. [11]
Zavoloka/Letland, die met een inmiddels definitieve uitspraak van 7 juli 2009 is geëindigd en waarin géén schending van het EVRM (met name niet van artikel 2, noch van artikel 13 EVRM Pro) is vastgesteld. Het ging in die zaak om de aanspraak op vergoeding van immateriële schade van de moeder van een twaalfjarig meisje dat was komen te overlijden bij een verkeersongeval waarvoor een particulier [12] aansprakelijk was. Haar claim op die particulier was vanwege wettelijke beperkingen afgewezen. Het EHRM overwoog daaromtrent:
Reste toutefois la question de la réparation du dommage moral réclamé par la requérante. A cet égard, vu la grande diversité régnant dans les ordres juridiques des différents États contractants en matière de dédommagement en cas de décès, la Cour ne saurait déduire une obligation absolue et générale d’accorder une réparation pécuniaire du préjudice moral dans des situations similaires à la présente.” [13]
De twee namens [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ingediende middelenkomen op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in hun vorderingen. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
“D.2.
degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene [had]”, en dat is in deze zaak degene die als een moeder voor [slachtoffer] was, [benadeelde 1] , en
een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene [stond], dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt”, en dat is in deze zaak degene die als een zus voor [slachtoffer] was, [benadeelde 2] .