ECLI:NL:HR:2020:1246

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
8 juli 2020
Zaaknummer
19/04676
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 2:11 BWArt. 2:216 BWArt. 2:248 BWArt. 42 Fw
Verwijzingen
11 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof over aansprakelijkheid bestuurder en vennootschap bij faillissement dochtervennootschap

De curator van een besloten vennootschap vorderde hoofdelijk betaling van het tekort in het faillissement van een dochtervennootschap van zowel de vennootschap als haar bestuurder, op grond van wettelijke bepalingen en onrechtmatig handelen. De rechtbank Arnhem wees de primaire vordering toe, maar het hof Arnhem-Leeuwarden wees alle vorderingen af. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug naar het hof ’s-Hertogenbosch. Dit hof vernietigde op zijn beurt het vonnis van de rechtbank en veroordeelde alleen de vennootschap tot betaling van een dividenduitkering, terwijl de primaire vordering werd afgewezen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat de subsidiaire vordering wegens onrechtmatig handelen alleen tegen de vennootschap kon worden gericht en niet ook tegen de bestuurder. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing. Tevens werden de kosten van het cassatiegeding aan de zijde van de curator aan de wederpartijen opgelegd.

Deze uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van aansprakelijkheid van bestuurders en vennootschappen in faillissementszaken en benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van subsidiaire vorderingen wegens onrechtmatig handelen.

Uitkomst: Het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch is vernietigd en de zaak is verwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/04676
Datum10 juli 2020
ARREST
In de zaak van
Isaac Jan Gerrit Hendrik HAGE, in zijn hoedanigheid van curator van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V.,
kantoorhoudende te Ede,
EISER tot cassatie,
hierna: de curator,
advocaat: A.E.H. van der Voort Maarschalk,
tegen
1. [verweerster 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [verweerster 1] en [verweerder 2],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
zijn arrest in de zaak 15/02192, ECLI:NL:HR:2016:2172 van 23 september 2016;
het arrest in de zaak 200.232.160/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 juli 2019.
De curator heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerster 1] en [verweerder 2] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De advocaat van de curator heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.9.
2.2
De curator heeft primair gevorderd dat [verweerster 1] en [verweerder 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het nader vast te stellen tekort in het faillissement van [A], waartoe de curator zich heeft beroepen op art. 2:248 lid 1 BW Pro in verbinding met art. 2:11 BW Pro. Subsidiair heeft de curator gevorderd hoofdelijke veroordeling van [verweerster 1] en [verweerder 2] tot vergoeding van de schade wegens onrechtmatig handelen jegens de schuldeisers in het faillissement van [A], nader op te maken bij staat. Meer subsidiair heeft de curator gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat het dividendbesluit en de dividenduitkering van 29 februari 2008 nietig zijn, dan wel dat deze worden vernietigd, en veroordeling van [verweerster 1] tot terugbetaling van de aan haar verrichte dividenduitkering van € 165.000,--, waartoe de curator zich heeft beroepen op art. 2:216 leden Pro 2-4 (oud) BW en art. 42 en Pro 47 Fw.
2.3
De rechtbank Arnhem heeft de primaire vordering van de curator toegewezen. [1]
2.4
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft de vorderingen van de curator afgewezen. [2]
2.5
De Hoge Raad heeft het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch. [3]
2.6
Het hof ’s-Hertogenbosch heeft het vonnis van de rechtbank Arnhem vernietigd, [verweerster 1] veroordeeld tot betaling van het (hiervoor in 2.2 vermelde) bedrag van € 165.000,--, met rente, en het meer of anders gevorderde afgewezen. [4] Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
De primaire vordering van de curator moet alsnog aan hem worden ontzegd. (rov. 4.3)
De subsidiaire vordering van de curator is toewijsbaar als in het dictum wordt vermeld. De subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen van deze vordering van de curator hebben alleen betrekking op [verweerster 1], zodat deze vorderingen alleen ten laste van haar kunnen worden toegewezen. ((eerste) rov. 4.4)

3.Beoordeling van het middel

3.1
Het middel klaagt onder meer dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de grondslag van de subsidiaire vordering alleen betrekking heeft op [verweerster 1] en niet ook op [verweerder 2]. Volgens het middel is in het verlengde daarvan eveneens onbegrijpelijk dat het hof de subsidiaire vordering alleen ten aanzien van [verweerster 1] heeft toegewezen.
3.2
De subsidiaire vordering van de curator strekt tot hoofdelijke veroordeling van [verweerster 1] en [verweerder 2] tot vergoeding van schade wegens onrechtmatig handelen (zie hiervoor in 2.2). Uit de door het middel aangehaalde stellingen volgt dat de curator aan deze vordering ten grondslag heeft gelegd, kort gezegd, dat [verweerster 1] onrechtmatig heeft gehandeld en dat, indien dat zo is, op grond van art. 2:11 BW Pro ook [verweerder 2] hiervoor aansprakelijk is.
In het licht hiervan is het oordeel van het hof dat de grondslag van de subsidiaire vordering alleen betrekking heeft op [verweerster 1] en dat om die reden de subsidiaire vordering ten aanzien van [verweerder 2] niet kan worden toegewezen, onbegrijpelijk. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht slaagt.
3.3
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 juli 2019;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [verweerster 1] en [verweerder 2] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 516,19 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerster 1] en [verweerder 2] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
10 juli 2020.

Voetnoten

1.Rechtbank Arnhem 31 oktober 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BY4306.
2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:302.
3.HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2172.
4.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 juli 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2551.