Conclusie
1.De feiten
Besluit
[verweerster 1] B.V., als volgt:
[B] B.V., (…) en [betrokkene 1] , (…) in privé.
2.Het procesverloop
primair:
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Subsidiair, voorzoveel niet aannemelijk zou worden geoordeeld dat het vorenomschreven onbehoorlijk bestuur van [verweerster 1] een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [A] , dan laat dit onverlet dat [verweerster 1] onder de beschreven omstandigheden ernstig verwijtbaar is tekort geschoten in de vervulling van haar taak als bestuurder en eveneens ernstig verwijtbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens de crediteuren van de vennootschap.
Onrechtmatige daad:
niet(impliciet) op de vordering heeft beslist – anders was er geen reden de motiveringsklacht niet-ontvankelijk te verklaren. Dat zou dan ook moeten betekenen dat het hof nu
nietde aanvulling meer zou mogen weigeren op de grond dat hij al op de vordering heeft beslist, omdat het hof gebonden is aan de interpretatie door de Hoge Raad van het arrest van het hof (ook al gaat het niet om een procedure na verwijzing). Anders is eisers ten onrechte het recht op cassatie onthouden. Een andere rechtsopvatting is voor dat geval ook denkbaar (maar spreekt mij minder aan): dat het aan de eiser was geweest om eerst de art. 32 Rv Pro-procedure te doorlopen, en om zo nodig (zoals hiervóór beschreven) tijdig cassatieberoep op een lange termijn in te stellen (zie de suggestie van de A-G), zodat het in de cassatieprocedure inmiddels duidelijk zou zijn hoe het arrest door het hof bedoeld is [onderstrepingen in origineel, A-G].” [16]