ECLI:NL:HR:2020:1278

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2020
Publicatiedatum
14 juli 2020
Zaaknummer
19/05472
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslag omzetbelasting 2008

Belanghebbende, een vennootschap, was geconfronteerd met een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2008, inclusief een beschikking inzake heffingsrente. Na eerdere procedures, waaronder een arrest van de Hoge Raad in 2018 dat leidde tot verwijzing naar het Gerechtshof Den Haag, stelde belanghebbende opnieuw beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof van 18 oktober 2019.

De Hoge Raad heeft het ingediende middel beoordeeld maar geoordeeld dat dit niet tot vernietiging van het hofarrest kan leiden. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering van dit oordeel te geven, omdat het niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Den Haag ongewijzigd in stand, waarmee de naheffingsaanslag en de heffingsrente voor het jaar 2008 definitief zijn bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het hofarrest blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/05472
Datum17 juli 2020
ARREST
in de zaak van
[X1] N.V., [X2] B.V. C.S. te Laren (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 18 oktober 2019, nr. BK-18/01114, betreffende de aan belanghebbende over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 7 december 2018, nr. 17/01767, ECLI:NL:HR:2018:2260, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (nr. 16/00235), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft het middel over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat dit middel niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2020.