Conclusie
Nummer20/02943
a good reason’ was voor het feit dat deze getuige niet door de verdediging kon worden ondervraagd. Evenmin heeft het hof bij een met redenen omklede beslissing geoordeeld dat van het opnieuw horen van de getuige moet worden afgezien nu een van de gronden als bedoeld in artikel 288 Sv Pro zich voordoet. Daarnaast is niet gebleken dat het hof is nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces, aldus de stellers van het middel.
NJ2021/173 m.nt. Reijntjes (post-Keskin), ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter, in de situatie dat zo’n verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. In dat verband heeft de Hoge Raad onder meer aandacht besteed aan de eisen die worden gesteld aan het gebruik voor het bewijs van dergelijke verklaringen en de wijze waarop de rechter dient na te gaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Daarover heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
NJ2021/368 m.nt. Jörg, heeft de Hoge Raad daarnaast nog het volgende overwogen:
Het tweede middel
Het bestreden arrest
afgeleverd in de gemeente [plaats 1] , terwijl uit de bewijsmiddelen slechts kan volgen dat de hennep is afgeleverd in [plaats 2] , welke plaats valt onder de gemeente [plaats 2] . Volgens de stellers van het middel kan niet gezegd worden dat het plaatsen van hennep in een auto (te [plaats 1] ) met een bestemming om deze af te leveren te [plaats 2] , reeds afleveren als bedoeld in de Opiumwet oplevert.
Het juridisch kader
het brengen eener zaak in de macht van een ander, in of buiten verband met eenigen daartoe verplichtenden titel”. [5] Uit HR 12 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC2714,
NJ1987/512, kan worden afgeleid dat er geen wezenlijk onderscheid bestaat tussen ‘afleveren’ en ‘verstrekken’, waaronder volgens de Hoge Raad wordt verstaan ‘elk feitelijk ter beschikking stellen’.
De tweede deelklacht van het tweede middel
Het derde middel
Het bestreden arrest
NJ1991/442 m.nt. Corstens (Mariënburcht).
Het vierde middel
Het bestreden arrest
Het juridisch kader
Het vijfde middel
Het bestreden arrest
Het juridisch kader
misbruik van technische hulpmiddelen strafbaar te stellen”. [18]
De beoordeling van het vijfde middel
Het zesde middel
Onder jaar wordt verstaan een tijd van twaalf maanden, onder maand een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”
De beoordeling van het zesde middel
of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment” de meest gunstige is. Een en ander betekent dat de totale duur van de gijzelingen gezamenlijk ook in de onderhavige zaak maximaal 360 dagen mag bedragen.
Slotsom