Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
15 september 2020.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van het aanwezig hebben van ongeveer 1.487,4 gram heroïne in een woning die door een medeverdachte werd gebruikt. De heroïne werd aangetroffen in een plastic tas in een inbouwkast in de woning die verdachte meerdere malen bezocht.
In cassatie klaagde de verdachte over de onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring dat hij samen met een ander opzettelijk de heroïne aanwezig had gehad. De Hoge Raad oordeelde dat uit het gebruikte bewijsmateriaal niet volgt dat verdachte meer was dan een bezoeker, aangezien hij de woning slechts viermaal bezocht en geen aanwijzingen zijn dat hij zelfstandig toegang had of feitelijk gebruiker was.
Ook ontbrak het aan bewijs voor bewuste en nauwe samenwerking die vereist is voor medeplegen. Zelfs als verdachte wist van de aanwezigheid van de heroïne, was er geen aanwijzing dat hij een bijdrage van voldoende gewicht had geleverd. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
De overige middelen werden verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 15 september 2020.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het hofarrest deels wegens onvoldoende bewijs medeplegen en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.