ECLI:NL:HR:2020:1376

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2020
Publicatiedatum
4 september 2020
Zaaknummer
18/05561
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Opiumwet
Verwijzingen
3 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende bewijs medeplegen heroïnebezit

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van het aanwezig hebben van ongeveer 1.487,4 gram heroïne in een woning die door een medeverdachte werd gebruikt. De heroïne werd aangetroffen in een plastic tas in een inbouwkast in de woning die verdachte meerdere malen bezocht.

In cassatie klaagde de verdachte over de onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring dat hij samen met een ander opzettelijk de heroïne aanwezig had gehad. De Hoge Raad oordeelde dat uit het gebruikte bewijsmateriaal niet volgt dat verdachte meer was dan een bezoeker, aangezien hij de woning slechts viermaal bezocht en geen aanwijzingen zijn dat hij zelfstandig toegang had of feitelijk gebruiker was.

Ook ontbrak het aan bewijs voor bewuste en nauwe samenwerking die vereist is voor medeplegen. Zelfs als verdachte wist van de aanwezigheid van de heroïne, was er geen aanwijzing dat hij een bijdrage van voldoende gewicht had geleverd. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.

De overige middelen werden verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 15 september 2020.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het hofarrest deels wegens onvoldoende bewijs medeplegen en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/05561
Datum15 september 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 december 2018, nummer 22/001417-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat, mede in het licht van een gevoerd verweer, de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd voor zover inhoudende dat de verdachte de in de bewezenverklaring bedoelde heroïne “tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad”.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt in zoverre. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.4 tot en met 3.7.

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het eerste cassatiemiddel en het tweede cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 september 2020.