ECLI:NL:PHR:2024:169

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
12 februari 2024
Zaaknummer
22/00385
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 onder C OpiumwetArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor opzettelijk bezit van amfetamine in afgesloten koelkast

Verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens het opzettelijk aanwezig hebben van circa 2.858 gram amfetamine in een met hangslot afgesloten koelkast in zijn éénkamerwoning. Verdachte stelde in cassatie dat hij geen wetenschap had van de drugs en dat het bewijs onvoldoende was om dit te bewijzen. Hij voerde aan dat hij tijdelijk afwezig was geweest en dat iemand anders de koelkast gebruikte.

De bewijsmiddelen bestonden uit proces-verbalen van bevindingen, getuigenverklaringen van buurtbeheerder en schoonmakers, forensisch onderzoek van het NFI, en observaties van verdachte in en rond zijn woning. Het hof concludeerde dat verdachte de enige officiële gebruiker was van de woning en dat de koelkast zichtbaar in de keuken stond, ook al was deze afgesloten met een hangslot. Het hof achtte het ongeloofwaardig dat een ander de koelkast gebruikte en dat verdachte geen toegang had.

De Hoge Raad overweegt dat voor bewezenverklaring van opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen vereist is dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid en dat de middelen zich in zijn machtssfeer bevonden. Het enkele feit dat verdachte hoofdbewoner was, is niet voldoende, maar het hof heeft dit in samenhang met andere feiten en het ontbreken van een aannemelijke verklaring voldoende gemotiveerd. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van verdachte voor het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00385
Zitting27 februari 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 4 februari 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem wegens kort gezegd: het opzettelijk aanwezig hebben van 2.858 gram amfetamine, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters, beiden advocaat te Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld waarin wordt geklaagd over het bewezenverklaarde, meer in het bijzonder dat het hof voorbij is gegaan aan hetgeen de verdediging in dit verband als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren heeft gebracht. Dit verweer houdt kort gezegd in dat de verdachte geen wetenschap had van de amfetamine die in een afgesloten koelkast in zijn woning werd aangetroffen en dat deze wetenschap ook niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.

2.Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, standpunt verdediging en bewijsmotivering

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 18 juni 2020 tot en met 22 juni 2020 te [plaats], opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2.858 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
2.2
De bewezenverklaring steunt op de volgende, in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen, bewijsmiddelen:
“ 1.
Het in de wettelijke vorm opgemaakteproces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juni 2020[…] voor zover inhoudende, als relaas en/of bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] […]:
Afgelopen donderdagavond op 18 juni 2020 is een grote brand geweest in een appartementencomplex op de [a-straat] te [plaats]. Bij deze brand zijn een zes[tal] woningen onbewoonbaar geraakt en dienen te worden gereinigd en gerepareerd.
Op maandag 22 juni 2020, omstreeks 10:48 uur werd ik gebeld door de Buurtbeheerder, [betrokkene 1] van de Woningstichting [plaats]. Hij vertelde dat bij schoonmaakwerkzaamheden, naar aanleiding van de brand, in 1 van de zes woningen, op de [a-straat 1] te [plaats], vermoedelijk drugs was aangetroffen.
Op genoemd adres woont de mij ambtshalve bekende:
Gegevens GBA:
[verdachte], Geboren [geboortedatum]-1970 (50) te [geboorteplaats] (...)
[a-straat 1], [postcode] te [plaats] (Nederland)
als enige bewoner.
Op maandag 22 juni 2020, omstreeks 11.13 uur was ik ter plaatse op de [a-straat 1] te [plaats]. Ik werd aldaar aangesproken door de Buurtbeheerder van de Woningstichting, [betrokkene 1].
Deze getuige verklaarde dat schoonmakers twee zakken met vermoedelijk drugs hadden aangetroffen, in een met hangslot afgesloten koelkast in de keuken van genoemd adres. De schoonmakers hadden de koelkast geopend, omdat er een vreselijke verrotte geur in de keuken hing.
Op genoemd adres zit een 1 kamerwoning (...). Na de brand is deze woning middels een hangslot afgesloten en op het moment van de schoonmaak pas weer geopend.
Ik (...) ben vervolgens op maandag 22 juni 2020 te 11.15 uur de woning betreden. Bij het naar binnen gaan in de woning kom je in de keuken. Getuige [betrokkene 1] wees mij de koelkast aan. Ik zag dat op de koelkast een beugel zat en op het aanrecht een hangslot lag. Ik opende de koelkast en zag dat in het vriesgedeelte twee zakken lagen. In deze zakken zat een witte vochtige en koude substantie. Ik vermoedde dat deze substantie vermoedelijk drugs was.
Ik heb de vermoedelijke drugs meteen verpakt in een goedgekeurde sealbag en nam deze twee plastic zakken en inhoud, in beslag.
2.
Het in de wettelijke vorm opgemaakteproces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] op 22 juni 2020[…], voor zover inhoudende, als verklaring van voornoemde getuige […]:
Ik ben werkzaam als buurtbeheerder voor de Woningstichting in [plaats]. Ik werd vandaag, omstreeks 10:45 uur gewaarschuwd door medewerkers van het schoonmaakbedrijf [A], dat zij bij schoonmaakwerkzaamheden, in een flatwoning op de [a-straat 1] te [plaats], twee zakken met wit poeder hadden aangetroffen in een vriesvak van een afgesloten koelkast. De schoonmaakwerkzaamheden waren in het appartementencomplex, omdat in de gezamenlijke ruimte een flinke brand had gewoed en dat de zes woningen, welke direct hier aan liggen, onbewoonbaar waren verklaard en eerst opgeknapt en schoongemaakt moesten worden. (...) Ik ben meteen gaan kijken en zag dat er in het vriesvak van een koelkast in de keuken van de [a-straat 1] twee zakken met witte substantie lagen. (...) In deze woning woont meneer [verdachte].
3.
Het in de wettelijke vorm opgemaakteproces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 21 juli 2020[…], voor zover inhoudende, als relaas en/of bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] […]:
Op maandag 20 juli 2020 werd door de Forensische Opsporing een onderzoek ingesteld in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet.
Het onderzoek vond plaats aan een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen die aan ons ter beschikking werd gesteld door Sporenbeheer van de Forensische Opsporing.
Deze partij was inbeslaggenomen tijdens een onderzoek ingevolge de Opiumwet op het adres [a-straat 1], [postcode] [plaats].
Door ons werd het volgende waargenomen en bevonden.
Betreft onderzoek aan SIN : AANU3650NL
Omschrijving verpakking : sealbag met daarin een sealbag
Inhoud : 2377,05 gram
Monstername : monster genomen en voorzien van SIN AAMG4875NL
Uitslag kleurtest : positief Amfetamine
Betreft onderzoek aan SIN : AANU3649NL
Omschrijving verpakking : sealbag in sealbag
Inhoud : 481,28 gram
Monstername : monster genomen en voorzien van SIN AAMG4870NL
Uitslag kleurtest : positief Amfetamine
Opmerking hof: Het hof begrijpt dat de twee aangetroffen zakken tezamen een inhoud van (2377,05 + 481,28 = ongeveer) 2.858 gram bevatten).
4.
Het in de wettelijke vorm opgemaakteproces-verbaal NFiDENT d.d. 5 oktober 2020, met als bijlagen twee NFI-rapportages, beide opgemaakt en getekend op 1 oktober 2020 door NFI-rapporteur ing. F. Wallace[…], voor zover inhoudende […]:
Uit bijlage 1 (aanvraag 001):
Kenmerk Omschrijving FO ConclusieAAMG4875NL substantie, crèmekleurig, uit 2377,05 gram bevat amfetamine
Uit bijlage 2 (aanvraag 002):
Kenmerk Omschrijving FO ConclusieAAMG4870NL substantie, crèmekleurig, uit 481,28 gram bevat amfetamine
5.
Het in de wettelijke vorm opgemaakteproces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2020[…], voor zover inhoudende, als relaas en/of bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] […]:
Ik zag dat er op de volgende dagen, de volgende meldingen in de systemen stonden waarbij verdachte [verdachte] was betrokken:
Op 8 juni (
het hof begrijpt: 8 juni 2020) omstreeks 23:07 uur komt er een melding binnen van overlast door verdachte [verdachte]. Deze zou staan te schreeuwen op de binnenplaats van de flat aan de [a-straat]. Collega's komen ter plaatsen en treffen verdachte ook aan.
Op 9 juni 2020 omstreeks 22:45 uur is er een
meldinggedaan van geluidsoverlast. Er zouden op het moment van de melding een drietal personen op de binnenplaats, van de flat aan de [a-straat], zitten welke overlast veroorzaken. Ter plaatsen worden drie personen aangetroffen waaronder verdachte [verdachte]. Volgens collega’s ter plaatsen had verdachte [verdachte] zijn geluidsinstallatie uit het raam hangen en dronk men samen een biertje.
Een half uur later, omstreeks 23:30 uur komt er op dezelfde dag weer een melding binnen dat verdachte [verdachte] geluidsoverlast pleegt op de binnenplaats van de flat.
Later in de nacht omstreeks 03:25 uur komt er weer een melding binnen dat verdachte vervelend was en op het raam van zijn buurman aan het slaan was. Ter plaatse zien verbalisanten verdachte over het Plantsoen lopen (de [a-straat] komt uit op het plantsoen).
Enkele minuten later komt er een melding dat verdachte [verdachte] weer op zijn balkon voor overlast zorgt. Ter plaatsen treffen collega’s hem aan, waarop hij een bekeuring krijgt.
Op 10 juni (
het hof begrijpt: 10 juni 2020) maakt de wijkagent een mutatie op in het systeem. Hierin zet hij dat verdachte [verdachte] afgelopen nacht omstreeks 03.30 uur een medebewoner van de flat aan de [a-straat] heeft lastig gevallen.
13 juni 2020 omstreeks 22:20 uur is er een melding gedaan van geluidsoverlast. Er zouden op het moment van de melding 10 tot 15 personen op de binnenplaats, van de flat aan de [a-straat], zitten welke overlast veroorzaken. Melder noemt vervolgens expliciet de naam van verdachte [verdachte]. [verdachte] werd door ter plaatsen gekomen verbalisanten aangetroffen op een pleintje naast het appartementencomplex.
16 juni 2020 omstreeks 03:36 uur is er een melding gedaan van geluidsoverlast veroorzaakt door de bewoner van [a-straat 1]. (...) Melder heeft [verdachte] zelf twee keer aangesproken op de overlast welke er veroorzaakt werd.
17 juni 2020 omstreeks 21:49 uur is er een melding gedaan van geluidsoverlast veroorzaakt door de bewoner van [a-straat 1]. Verdachte [verdachte] zou dronken uit een raam hangen en voorbijgangers uitschelden. Collega’s treffen verdachte in de geopende deuropening van zijn woning aan.
6.
Het in de wettelijke vorm opgemaakteproces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2020[…], voor zover inhoudende, als relaas en/of bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] […]:
Op vrijdag 04/09/2020 heb ik verbalisant contact opgenomen met de woningstichting in [plaats].
Ik hoorde dat de medewerker die ik aan de telefoon had samen met een andere collega daar ter plaatse was geweest op de avond van de brand.
De medewerker geeft nog aan dat [verdachte] als een gek zijn woning weer in wilde op het moment van de brand. Dit was te zien op de camerabeelden van de lift.”
2.3
Het hof heeft in het bestreden arrest het standpunt van de verdediging voor zover hier relevant als volgt samengevat:
“De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat verdachte eveneens moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde hoeveelheid van (ongeveer) 2.858 gram van een materiaal bevattende amfetamine, omdat niet kan worden bewezen dat deze amfetamine zich in de machtssfeer van verdachte bevond en verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid hiervan. Hij heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat de drugs weliswaar in de woning van verdachte is aangetroffen, maar dat uit het strafdossier niet blijkt dat verdachte toegang had tot de (met een hangslot afgesloten) koelkast waarin de amfetamine is aangetroffen en het strafdossier geen (forensisch) bewijs bevat waaruit blijkt dat verdachte de amfetamine in handen heeft gehad. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat de betreffende koelkast niet van hem was, dat hij tijdelijk weg is geweest en dat er toen iemand in zijn woning heeft verbleven die van de koelkast gebruik heeft gemaakt.”
In aanvulling hierop maak ik melding van delen van de pleitnota die door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 21 januari 2021 zijn voorgehouden en die ook voor een groot deel in de cassatieschriftuur worden aangehaald: [1]
“5. Dat de drugs in de woning van cliënt zijn aangetroffen, maakt niet meteen dat daarmee kan worden aangenomen dat deze wetenschap en beschikkingsmacht aanwezig zijn. [2] Het enkele aantreffen van contrabande, zoals drugs, in een woning terwijl de verdachte (hoofd)bewoner is, is onvoldoende voor een bewezenverklaring.
Ik wijs u in het bijzonder op de volgende overweging van de Hoge Raad:
“Het oordeel van het Hof dat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad is, mede gelet op hetgeen ten verwere is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk. Het Hof heeft zijn oordeel, dat de verdachte de in dit verband vereiste bewustheid had van de aanwezigheid van de vier XTC-tabletten in het keukenkastje, immers slechts erop gebaseerd “dat verdachte reeds gedurende langere tijd de hoofdbewoner van de woning was en toegang had tot alle in de woning aanwezige ruimten en plaatsen waar de verdovende middelen zijn aangetroffen”. Die motivering is niet toereikend.” [3]
Van soortgelijke aard is het arrest van de Hoge Raad waarin een streep ging door de bewijsoverweging dat:
“als uitgangspunt daarbij heeft te gelden dat ervan uit mag worden gegaan dat een huurder weet wat zich in zijn woning bevindt dan wel afspeelt, tenzij anders is gebleken.”
Volgens AG mr. Knigge (gevolgd door de HR) kan er niet worden uitgegaan van een (…) ‘algemene ervaringsregel’ dat een hoofdbewoner van een woning die toegang heeft tot alle vertrekken in die woning, bekend is met de aanwezigheid van de zich in die woning bevindende voorwerpen. [4]
6. Uit het procesdossier blijkt dat schoonmakers na een brand in de woning van cliënt twee zakken wit poeder aantreffen in een vriesvak van een met een hangslot afgesloten koelkast:
“Op maandag 22 juni 2020, omstreeks 11.13 uur was ik ter plaatse op de [a-straat 1] te [plaats]. Ik werd aldaar aangesproken door de Buurtbeheerder van de Woningstichting, [betrokkene 1]. Deze getuige verklaarde dat schoonmakers twee zakken met vermoedelijk drugs hadden aangetroffen, in een met hangslot afgesloten koelkast in de keuken van genoemd adres. De schoonmakers hadden de koelkast geopend, omdat er een vreselijke verrotte geur in de keuken hing. Ze verwachtten eigenlijk verrot voedsel in de koelkast aan te treffen.”
7. Bij aankomst in de woning constateert de politie ook de aanwezigheid van een beugel en hangslot:
“Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben vervolgens op maandag 22 juni 2020 te 11.15 uur de woning betreden. Bij het, naar binnen gaan in de woning kom je in de keuken. Getuige [betrokkene 1] wees mij de koelkast aan. Ik zag dat op de koelkast een beugel zat en op het aanrecht een hangslot lag.”
8. De aangetroffen hoeveelheid van 2.858 gram is wel getest, door het NFI, met als uitslag amfetamine.
9. Het voorgaande rechtvaardigt geen andere conclusie dan dat er in een met hangslot afgesloten koelkast een hoeveelheid materiaal bevattende amfetamine is aangetroffen.
10. Daarbij komt dat, gelet op de aard van de koelkast, zoals blijkt uit de gemaakte foto’s, er van buitenaf geen zicht is op de inhoud van de koelkast, wanneer deze afgesloten is.
11. De vragen die thans voorliggen zijn (onder meer) of cliënt wist van de aanwezigheid van de amfetamine in de koelkast en of deze zich in zijn machtssfeer hebben bevonden. Ik meen dat dit niet op basis van wettig en overtuigend bewijs vastgesteld kan worden.
12. Uit niets blijkt dat cliënt enige bemoeienissen heeft gehad met de inhoud van de koelkast c.q. blijkt niet dat cliënt gebruiker was van die koelkast. Niet blijkt dat hij de amfetamine in de koelkast heeft geplaatst, niet blijkt dat hij toegang had tot de inhoud van de koelkast.
Zo blijkt niet dat cliënt de beschikking had over de sleutel van de koelkast.
Niet blijkt of die sleutel zich in de woning en / of bij cliënt bevond, zodat niet blijkt dat hij het hangslot en daarmee de koelkast kon openen.
Niet blijkt dat cliënt de amfetamine ook echt in handen heeft gehad. Het procesdossier bevat geen (forensisch) bewijs op basis waarvan zou. kunnen worden geconcludeerd dat cliënt de amfetamine in handen heeft gehad.
Daarbij blijkt uit het procesdossier bijvoorbeeld ook niet dat dactyloscopisch of DNA-onderzoek is verricht naar de af: of aanwezigheid van vingerafdrukken en / of DNA afkomstig van cliënt op de zakken of op de in de koelkast aangetroffen jerrycan.
Zodoende staat niet vast dat cliënt wist van de aanwezigheid van de amfetamine en staat ook niet vast dat hij zich daar als heer en meester over heeft gedragen, derhalve de amfetamine zich ook niet in zijn machtssfeer heeft bevonden.
13. Het voorgaande maakt dat er, mijns inziens, geen sprake is van een prima facie zaak (een op het eerste gezicht bewezen / bewijsrechtelijk ronde-zaak), zodat het mijns inziens op zich ook niet uitmaakt of de verdachte een verklaring aflegt.
14. Bij de rechter-commissaris heeft cliënt wel verklaard, namelijk dat deze koelkast niet van hem is, dat hij tijdelijk weg is geweest en dat toen iemand in zijn huis heeft verbleven, dat die persoon heeft gebruik gemaakt van de koelkast en dat cliënt er van uit is gegaan dat in die koelkast visspullen en kostbare erfstukken werden bewaard. Derhalve ontkent cliënt dat hij enige bemoeienissen heeft gehad met de inhoud van de koelkast, ontkent hij de wetenschap van de aanwezigheid van de amfetamine en ontkent hij dat de amfetamine zich in zijn machtssfeer hebben bevonden.
15. Van (groot) belang hierbij vind ik dat cliënt niet verklaard heeft wanneer die periode van gebruik van de woning en daarmee de koelkast door die ander precies is geweest. Dat is niet aan hem gevraagd, maar in ieder geval blijkt uit zijn verklaring niet dat dit juni 2020 of meer in het bijzonder 17 en/of 18 juni 2020 is geweest.
Daarbij komt dat er geen verder onderzoek is gedaan naar het gebruik van de woning, zodat niet zonder meer vastgesteld kan worden dat hij altijd die woning alleen heeft gebruikt.
Gelet daarop stel ik mij op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat cliënt alleen in de woning woonde.
Bovendien overwoog de rechtbank dat de verklaring van cliënt dat hij zijn woning tijdelijk had verlaten ongeloofwaardig moet worden geacht omdat cliënt in de periode van 8 tot en met 17 juni 2020 in en nabij zijn woning is gesignaleerd. Daarin ligt een miskenning van de door de cliënt afgelegde verklaring besloten, omdat cliënt niet verklaard heeft dat hij niet in de periode van 8 tot en met 17 juni 2020 gebruik heeft gemaakt van de woning. Ook hierom kan de rechtbank niet gevolgd worden in de motivering aangaande de door de rechtbank gemeende ongeloofwaardigheid van de door cliënt afgelegde verklaring.
16. In dit verband wens ik ook in hoger beroep genoemd te hebben dat ik bij e-mail van 15 september 2020 het openbaar ministerie heb verzocht om onderzoek te doen naar de vraag of zich in de woning van cliënt nog een tweede koelkast heeft bevonden, waarover cliënt zowel bij de rechter-commissaris als bij de raadkamer heeft verklaard dat hij hierin zijn eten bewaarde.
17. Enkel ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 december 2020 werd door de officier van justitie aangegeven dat hem die e-mail niet had bereikt.
Nadien is er, ook in hoger beroep, niet meer ingegaan op deze vraag.
Uit het procesdossier blijkt echter dat schoonmakers de koelkast hebben geopend, ‘omdat er een vreselijke verrotte geur in de keuken hing en zij verwachtten verrot voedsel in de koelkast aan te treffen.’ Uit de foto’s van de koelkast op blz. 26 e.v. blijkt niet van etenswaar welke de vreselijke verrotte geur in de keuken zouden kunnen verklaren Dit maakt dan ook waarschijnlijk dat er wel degelijk sprake was van een tweede koelkast, namelijk die waarin zich bedorven etenswaar bevond welke de vreselijk verrotte geur veroorzaakte.
Ook dat maakt het (te meer) aannemelijk dat cliënt helemaal geen gebruik heeft gemaakt van de koelkast, terwijl zich daarin materiaal bevattende amfetamine bevond.
[…]
19. Gelet op het bovenstaande verzoek ik u cliënt in deze zaak integraal vrij te spreken, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs, terzake van de wetenschap en beschikkingsmacht / machtssfeer.”
2.4
Het hof heeft in het verkort arrest met betrekking tot de bewijsvoering en de door de verdediging gevoerde verweren het volgende overwogen:
“Het hof is van oordeel dat het door en namens de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde aanwezig hebben van een hoeveelheid van ongeveer 2.858 gram van een materiaal bevattende amfetamine wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de amfetamine is aangetroffen in een met een hangslot afgesloten koelkast in de keuken in de woning van verdachte, een éénkamerwoning waarvan verdachte de enige officiële gebruiker was en waarin de koelkast met daarop een hangslot, wat als ongebruikelijk moet worden aangemerkt, in de keuken vol in het zicht stond. Het strafdossier bevat naar het oordeel van het hof geen enkele aanwijzing dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde geen gebruik maakte van zijn woning en dat een ander tijdelijk van zijn woning gebruik zou maken. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 3 september 2020 blijkt dat verdachte tot het moment dat het appartementencomplex als gevolg van een brand op 18 juni 2020 werd afgesloten ook daadwerkelijk in de woning verbleef, nu verdachte in de periode van 8 juni tot en met 17 juni 2020 op meerdere dagen zowel ‘s avonds als ‘s nachts in en nabij zijn woning is gesignaleerd. Ook toen op 18 juni 2020 een brand woedde in het wooncomplex is verdachte daar gezien. Het verweer dat de verdachte geen toegang tot de koelkast had, wordt weerlegd door hetgeen hiervoor is overwogen over het gebruik van de woning en door het proces-verbaal van bevindingen van 23 juni 2020, waaruit volgt dat de schoonmakers die na de brand in de woning aanwezig waren de koelkast konden openen.
Gelet op al het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte wetenschap van en beschikkingsmacht over de aangetroffen (ongeveer) 2.858 gram van een materiaal bevattende amfetamine heeft gehad. Het door de verdediging gevoerde verweer wordt verworpen.”

3.Het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het door de raadsman van de verdachte ingenomen en uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot het opzet op en de wetenschap van de aanwezigheid van de bewezenverklaarde amfetamine en/of het zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden van die verdovende middelen en/of dat “de bewezenverklaring niet steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden” en/of dat “het oordeel van het gerechtshof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting bij de bewezenverklaring van “opzettelijk aanwezig heeft gehad” zoals bedoeld in artikel 2 onder Pro C Opiumwet, althans doordat het gerechtshof de bewezenverklaring onbegrijpelijk en / of ontoereikend heeft gemotiveerd”.
3.2
Hoewel in de schriftuur onder verwijzing naar bedoeld uitdrukkelijk onderbouwd standpunt een groot deel van de pleitnota wordt geciteerd [5] volgt uit de toelichting op het middel dat het standpunt, waar het hof volgens de steller van het middel onvoldoende gemotiveerd van is afgeweken, zich als volgt laat samenvatten: [6]
- niet kan worden bewezen dat de amfetamine zich in de machtssfeer van verdachte bevond omdat de drugs weliswaar in de woning van verdachte zijn aangetroffen, maar dat uit het strafdossier niet blijkt dat verdachte toegang had tot de (met een hangslot afgesloten) koelkast waarin de amfetamine is aangetroffen en het strafdossier geen (forensisch) bewijs bevat waaruit blijkt dat verdachte de amfetamine in handen heeft gehad,
- niet kan worden bewezen dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de amfetamine in de koelkast omdat hij tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat de betreffende koelkast niet van hem was, dat hij tijdelijk weg is geweest en dat er toen iemand in zijn woning heeft verbleven die van de koelkast gebruik heeft gemaakt en
- door de verdediging is verzocht om nader onderzoek te doen naar het bestaan van een tweede koelkast, op welk verzoek het openbaar ministerie niet is ingegaan.
3.3
Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen gelden in beginsel twee voorwaarden: in de eerste plaats dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, waaronder tevens is te begrijpen de situatie waarin de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard [7] en in de tweede plaats dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden, in die zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. [8]
3.4
Het enkele feit dat iemand bewoner is van een woning waar drugs zijn aangetroffen rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat hij hier wetenschap van had. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval. [9] Daarbij kan meespelen of ook anderen in de woning wonen, althans daartoe toegang hebben op een wijze dat niet onaannemelijk is dat zij de drugs daar hebben achtergelaten. [10] Ook de ruimte waar de drugs in de woning worden aangetroffen kan een rol spelen: verborgen of voor iedereen direct zichtbaar. [11] Het voorgaande neemt niet weg dat het uitgangspunt dat een hoofdbewoner weet welke voorwerpen er in huis aanwezig zijn, wel mag worden gebruikt bij de beoordeling of iemand wist van de aanwezigheid van de verdovende middelen. [12] Daarnaast mag de feitenrechter bij de bewezenverklaring betekenis toekennen aan het ontbreken van een aannemelijke verklaring van de verdachte. [13]
3.5
In onderhavige zaak heeft het hof overwogen dat de door de verdediging gevoerde verweren worden weersproken door de bewijsmiddelen en daarbij overwogen dat:
(i) de amfetamine is aangetroffen in een met een hangslot afgesloten koelkast in de keuken in de woning van verdachte, een éénkamerwoning waarvan verdachte de enige officiële gebruiker was en waarin de koelkast met daarop een hangslot, wat als ongebruikelijk moet worden aangemerkt, in de keuken vol in het zicht stond;
(ii) het strafdossier naar het oordeel van het hof geen enkele aanwijzing bevat dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde geen gebruik maakte van zijn woning en dat een ander tijdelijk van zijn woning gebruik zou maken.
(iii) uit het proces-verbaal van bevindingen van 3 september 2020 blijkt dat verdachte tot het moment dat het appartementencomplex als gevolg van een brand op 18 juni 2020 werd afgesloten ook daadwerkelijk in de woning verbleef, nu verdachte in de periode van 8 juni tot en met 17 juni 2020 op meerdere dagen zowel ‘s avonds als ‘s nachts in en nabij zijn woning is gesignaleerd. Ook toen op 18 juni 2020 een brand woedde in het wooncomplex is verdachte daar gezien.
(iv) het verweer dat de verdachte geen toegang tot de koelkast had, wordt weerlegd door hetgeen onder (i) is overwogen over het gebruik van de woning en door het proces-verbaal van bevindingen van 23 juni 2020, waaruit volgt dat de schoonmakers die na de brand in de woning aanwezig waren de koelkast konden openen.
3.6
In dit oordeel – meer in het bijzonder onder (ii) – ligt besloten dat het hof de verklaring van de verdachte dat de koelkast niet van hem is, dat hij tijdelijk weg is geweest en dat toen iemand in zijn huis heeft verbleven, ongeloofwaardig heeft geacht. Dat vind ik niet onbegrijpelijk in het licht van het onderliggende strafdossier waar het hof naar verwijst. Hieruit volgt dat de verdachte bij de politie in eerste instantie geen verklaring wilde afleggen [14] en nadien tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat een derde persoon ongeveer 4 tot 6 maanden gebruik heeft gemaakt van de koelkast en dat de verdachte ervan uit is gegaan dat in die koelkast visspullen en kostbare erfstukken werden bewaard. [15] Hoewel de verdachte geen concrete verifieerbare verklaring heeft afgelegd over deze persoon [16] is hier wel nader onderzoek naar gedaan. De resultaten van dit onderzoek zijn door het hof meegewogen onder (iii), kort gezegd inhoudende dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode in en om zijn woning is gesignaleerd, waaruit het hof niet onbegrijpelijk heeft afgeleid dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode ook daadwerkelijk in de woning verbleef. [17]
3.7
In de verklaring van de verdachte afgelegd tegenover de rechter-commissaris lees ik – anders dan in de schriftuur wordt gesteld [18] – niets over een tweede koelkast die de verdachte zou hebben gehad. Uit de stukken blijkt wel dat de raadsman de officier van justitie heeft verzocht om onderzoek te doen naar de stelling van de verdachte dat er een tweede koelkast in de woning zou zijn geweest en dat dit verzoek de officier van justitie niet heeft bereikt. [19] Dat dit onderzoek niet heeft plaatsgevonden doet naar mijn mening niets af aan het voorgaande nu het hof de verklaring van de verdachte die er in de kern op neer komt dat er tijdelijk een ander in de woning heeft verbleven die de koelkast zou hebben gebruikt niet aannemelijk heeft geacht. Dat staat los van het feit of er nu één of twee koelkasten in de woning aanwezig waren. [20]
3.8
Dat de verdachte wetenschap had van de in de koelkast aangetroffen amfetamine, leidt het hof af uit het feit dat hij als enige toegang had tot de éénkamerwoning terwijl die koelkast vol in het zicht stond. Het is niet helemaal duidelijk wat het hof met de overweging die daarop volgt, te weten dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de schoonmakers die na de brand in de woning aanwezig waren de met een hangslot afgesloten koelkast konden openen, heeft bedoeld. In het licht van de overige vaststellingen neem ik aan dat het hof de verklaring van de verdachte dat hij niet zou beschikken over de sleutel kennelijk niet geloofwaardig acht en hij in ieder geval – evenals de schoonmakers – in staat moet zijn geweest de koelkast te openen. Al met al is het oordeel dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van wat er zich in de koelkast bevond niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Daarmee heeft hof tevens toepassing gegeven aan het juiste toetsingskader.
3.9
Hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat de amfetamine zich in de machtssfeer van de verdachte bevond. Het hof heeft immers vastgesteld dat de verdachte in de ten laste gelegde periode i) de enige officiële gebruiker was van de woning (ik begrijp dat het hof daarmee doelt op het feit dat hij blijkens de ‘gegevens GBA’ als enige bewoner stond ingeschreven [21] en ii) meermalen in en rond de woning is gesignaleerd kort voorafgaande aan de brand en derhalve toegang had tot de woning. Hieruit kan worden afgeleid dat de amfetamine in de woning zich in de machtssfeer van de verdachte bevond, hetgeen het hof neem ik aan voor ogen heeft gehad met de term ‘beschikkingsmacht’. [22]
3.1
Gelet op het voorgaande ligt de weerlegging van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt in de gebezigde bewijsmiddelen en de aanvullende bewijsmotivering besloten, [23] zijn de bewijsmiddelen redengevend voor de bewezenverklaring, geeft het oordeel van hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel ook overigens niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

4.Conclusie

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Met doorgenummerde voetnoten. Deze pleitnota is als bijlage gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 21 januari 2021.
2.HR 15 september 2020, ECL1:NL:HR:2020:1376, Rb. Rotterdam 22 juli 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:7177, Rb. Rotterdam 31 januari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:5353.
3.HR 1 oktober 2019, ECL1:NL:HR:2019:1459, r.o. 2.3.
4.Conclusie mr. Knigge d.d. 24 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:683 (gevolgd: HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2008).
5.Schriftuur onder 2, grotendeels hiervoor weergegeven onder randnr. 2.3.
6.Schriftuur onder 9.
7.HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359, rov. 6.2.Ten aanzien van het opzet op het aanwezig hebben onder meer HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7435, rov. 2.4; HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9580, rov. 2.3.
8.HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945, NJ 2022/95 m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.4.2.
9.Zie ook AG Hofstee in zijn conclusies van 2 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:174 randnr. 10 voorafgaand aan HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:558 (HR: art. 81.1 RO) en 21 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:201 randnr 10, voorafgaand aan HR 11 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:538 (HR: art. 81.1 RO).
10.HR 14 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1437: van aanwezig hebben in de zin van art. 2 onder Pro C Opiumwet is niet zonder meer sprake indien slechts kan worden vastgesteld dat verdachte (samen met anderen) in een woning verbleef en toegang had tot de keuken (waar de cocaïne in een doos werd aangetroffen); Conclusie AG Knigge voor HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2008 randnr. 6.8; HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1459: de enkele vaststelling dat een verdachte gedurende lange tijd (hoofd)bewoner is van een woning en toegang heeft tot alle ruimten in die woning, is niet zonder meer voldoende voor de vereiste bewustheid voor het aanwezig hebben van 4 tabletten bevattende MDMA in keukenkastje van woning.
11.Zie ook de Conclusie van AG Knigge voor HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2008 randnr. 6.9 en 6.10.
12.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498, rov. 2.3 waarin wordt verwezen naar de daarbij bijbehorende conclusie van AG Vegter, randnrs. 4 – 11, zie met name randnr. 9.
13.HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584, rov. 6.3; HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, NJ 2023/101 m.nt. W.H. Vellinga, rov. 3.2.2.
14.Zie proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 augustus 2020 waarin wordt geverbaliseerd dat de verdachte herhaaldelijk, ook na contact met zijn advocaat heeft geweigerd een verklaring af te leggen.
15.Zie proces-verbaal van verhoor in verband met de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling en vordering tot bewaring d.d. 31 augustus 2020.
16.Zie proces-verbaal van verhoor in verband met de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling en vordering tot bewaring d.d. 31 augustus 2020 waarin de verdachte heeft verklaard dat hij deze huisgenoot kende bij zijn bijnaam, dat hij die naam niet kon noemen en dat hij zijn echte naam niet kende.
17.In het proces-verbaal van bevindingen waar het hof (onder iii) naar verwijst staat vermeld dat de verbalisant in opdracht van de officier van justitie onderzoek heeft gedaan naar de verklaring van de verdachte, afgelegd tegenover de rechter-commissaris dat hij tijdelijk niet in zijn woning heeft verbleven en dat de koelkast waar de drugs in zijn aangetroffen niet van hem zou zijn.
18.Schriftuur onder 16.
19.Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden bevindt zich een e-mailbericht d.d. 15 september 2020 van de raadsman aan de officier van justitie waarin hij het verzoek doet om onderzoek te laten doen naar de aanwezigheid van een tweede koelkast in de woning van de verdachte. In het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 10 december 2020, p. 2 lees ik dat de officier van justitie voornoemd e-mailbericht niet heeft ontvangen.
20.Terzijde merk ik op dat de verdachte bij de behandeling in eerste aanleg en in hoger beroep niet ter terechtzitting is verschenen en dus nadien geen nadere verklaring heeft afgelegd.
21.Bewijsmiddel 1, zie hiervoor onder randnr. 2.2.
22.Vgl. Conclusie AG Knigge voor HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2008, randnr. 6.7 over het ‘ongelukkig gekozen woord beschikkingsmacht’.
23.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1, 3.8.1 en 3.8.2 waaruit volgt dat zich het geval kan voordoen dat de nadere motivering in “voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering (…) besloten ligt”.