Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
25 september 2020.
Hoge Raad
In deze zaak heeft betrokkene cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag die de voortzetting van haar inbewaringstelling machtigde. De rechtbank had haar beschikking op 27 februari 2020 gegeven en deze schriftelijk uitgewerkt op 2 april 2020.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van betrokkene schriftelijk heeft gereageerd.
De Hoge Raad heeft de klachten van betrokkene beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat beantwoording van de vragen niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Op 25 september 2020 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen. De beschikking is gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Wattendorff en Lock, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Kroeze.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking tot voortzetting van inbewaringstelling blijft in stand.