ECLI:NL:PHR:2020:727

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2020
Publicatiedatum
24 augustus 2020
Zaaknummer
20/01586
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 1 Wet Bopz (oud)Art. 27 lid 1 Wet Bopz (oud)Art. 29 lid 5 Wet BopzArt. 5 lid 1 EVRMArt. 5 lid 4 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling machtiging voortzetting inbewaringstelling op grond van Wet Bopz na wrakingsverzoek

Betrokkene werd op 21 november 2018 gedwongen opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet Bopz. Na een verzoek van de officier van justitie verleende de rechtbank op 29 november 2018 een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, ondanks een wrakingsverzoek van betrokkene tegen de rechter. De Hoge Raad vernietigde deze beschikking op 1 november 2019 wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor en onjuiste bevoegdheidsbeoordeling.

Na terugwijzing behandelde de rechtbank het verzoek opnieuw, waarbij betrokkene werd gehoord via haar advocaat en een psychiater aanwezig was. De rechtbank concludeerde dat voldaan was aan de criteria voor voortzetting van de inbewaringstelling, waaronder het bestaan van een geestesstoornis en gevaar voor zichzelf, en verleende opnieuw de machtiging tot voortzetting tot 20 december 2018. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.

Betrokkene stelde cassatie in tegen deze beschikking, stellende dat de rechtbank niet alle door de Hoge Raad vernietigde punten had beoordeeld en dat haar recht op een eerlijk proces was geschonden. De Procureur-Generaal adviseerde verwerping van het cassatieberoep, stellende dat de rechtbank het verzoek volledig opnieuw had beoordeeld en dat de klachten onvoldoende gegrond waren.

De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het cassatieberoep, waarmee de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling definitief bleef. De zaak betreft een belangrijke toetsing van procedurele waarborgen bij gedwongen opname en het recht op hoor en wederhoor.

Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01586
Zitting13 juli 2020
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene],
(hierna: betrokkene),
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
(de Staat der Nederlanden en GGZ Rivierduinen [1] ),
de Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Den Haag,
(alle) niet verschenen.
In deze zaak wordt op grond van de Wet Bopz (oud) geklaagd dat de rechtbank in de verwijzingsprocedure na cassatie zich niet heeft uitgelaten over de onderwerpen waarop de Hoge Raad de eerste bestreden beschikking (waarin een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling op grond van art. 27 lid Pro 1 (oud) Wet Bopz is verleend) heeft vernietigd.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Op 21 november 2018 heeft de burgemeester van de gemeente Den Haag een last tot inbewaringstelling gegeven van betrokkene op grond van art. 20 lid Pro 1 (oud) Wet Bopz. Op grond van die last is betrokkene gedwongen opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis van GGZ Rivierduinen.
1.2
Bij verzoekschrift van 26 november 2018 heeft de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag (hierna: de officier van justitie) verzocht om ten aanzien van betrokkene een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen (art. 27 lid Pro 1 (oud) Wet Bopz). Op 29 november 2018 is dit verzoek door de rechtbank behandeld. Betrokkene heeft tijdens deze zitting een verzoek gedaan tot wraking van de rechter, waarna de rechter de behandeling heeft geschorst. Omdat de uiterste beslisdatum van het verzoek op diezelfde dag verstreek, heeft dezelfde rechter de verzochte machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend (op 29 november 2018) voor het tijdvak tot en met 20 december 2018.
1.3
Bij beschikking van 12 december 2018 heeft de wrakingskamer van de rechtbank het wrakingsverzoek afgewezen.
1.4
Bij beschikking van 4 januari 2019 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging ten aanzien van betrokkene verleend, strekkende tot het doen voortduren van haar verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis uiterlijk tot en met 20 juni 2019.
1.5
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank van 29 november 2018 beroep in cassatie ingesteld. Zij heeft – kort gezegd – geklaagd dat de behandelend rechter niet langer bevoegd was om de door de officier van justitie gevraagde machtiging te verlenen vanaf het moment dat het wrakingsverzoek werd gedaan, dat er geen redenen waren om aan te nemen dat uitstel van de beslissing door de rechter tegen wie het wrakingsverzoek zich richtte, niet kon worden gedoogd, en dat aan haar het recht is onthouden om te worden gehoord op het verzoek, doordat de rechter (nadat zij de behandeling had geschorst), diezelfde dag toch op het verzoek heeft beslist zonder de behandeling van de zaak te heropenen.
1.6
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 1 november 2019 [2] de beschikking van de rechtbank van 29 november 2018 vernietigd en het geding teruggewezen naar dezelfde rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. Hiertoe overwoog de Hoge Raad – kort gezegd – dat betrokkene gedurende een termijn van vijf dagen na de dag waarop het wrakingsverzoek werd gedaan, niet uit de kliniek kon worden ontslagen, nu (in een geval als het onderhavige) binnen die termijn op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling moet worden beslist. Er bestond dus nog geen noodzaak voor de rechter tegen wie het wrakingsverzoek was gericht, om op het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling te beslissen. Voorts overwoog de Hoge Raad dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door op het verzoek te beslissen, zonder dat de mondelinge behandeling was voortgezet (en niet gebleken was dat betrokkene of haar advocaat afstand hadden gedaan van het recht te worden gehoord op het verzoek).
1.7
Op 4 december 2019 heeft de rechtbank het verzoek van de officier van justitie van 26 november 2018 – na terugwijzing door de Hoge Raad – mondeling behandeld. Hierbij was de advocaat van betrokkene aanwezig. Blijkens het proces-verbaal van het horen van 4 december 2019 heeft de advocaat verklaard bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn om namens betrokkene het woord te voeren. De advocaat heeft het woord gevoerd en een verzoek tot schadevergoeding op grond van art. 35 Wet Pro Bopz overgelegd. Bij tussenbeschikking van 18 december 2019 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek van de officier van justitie van 26 november 2018 – na terugwijzing door de Hoge Raad – aangehouden nadat gebleken was dat GGZ Rivierduinen niet behoorlijk was opgeroepen.
1.8
Op 16 januari 2020 is de behandeling van het verzoek van de officier van justitie van 26 november 2018 voortgezet. Hierbij waren de advocaat van betrokkene en [betrokkene 1], als psychiater werkzaam bij GGZ Rivierduinen, aanwezig. Betrokkene heeft haar advocaat wederom bepaaldelijk gemachtigd om namens haar het woord te voeren, hetgeen haar advocaat heeft gedaan. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechter meegedeeld dat de officier van justitie om een standpunt gevraagd zal worden, waarna de advocaat van betrokkene in de gelegenheid zal worden gesteld daarop te reageren.
1.9
De officier van justitie heeft op 29 januari 2020 een schriftelijke reactie ingediend, waarin – kort gezegd – is aangegeven dat hij het verzoek van 26 november 2018 handhaaft, nu dit “afgezien van de ‘wrakingsperikelen’ voor toewijzing in aanmerking kwam”. De advocaat van betrokkene heeft hier schriftelijk op gereageerd.
1.1
Bij de bestreden beschikking van 27 februari 2020 heeft de rechtbank machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling in een psychiatrisch ziekenhuis van betrokkene tot en met 20 december 2018. Het verzoek tot schadevergoeding is afgewezen. [3]
1.11
Namens betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend [4] .

2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Art. 29 lid 5 Wet Pro Bopz bepaalt dat tegen de beschikking op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling geen gewoon rechtsmiddel openstaat. Niet uitgesloten is dat een daartegen gericht cassatieberoep toch ontvankelijk is, indien erover wordt geklaagd dat de rechtbank één of meer artikelen van de Wet Bopz ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel dat bij de totstandkoming van de uitspraak essentiële vormen zijn verzuimd. Voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod op laatstgenoemde grond is nodig dat aan de klacht ten grondslag ligt dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Het rechtsmiddelenverbod van art. 29 lid 5 Wet Pro Bopz kan voorts worden doorbroken doordat in cassatie wordt geklaagd over niet-inachtneming van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen, bij of krachtens de wet bepaald. [5]
2.2
Betrokkene klaagt (onder meer) dat sprake is van schending van het recht op vrijheid en veiligheid als bedoeld in art. 5 lid 1 onder Pro e EVRM. Ik meen dat zij daarom ontvankelijk is in haar cassatieberoep.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit één onderdeel onder verwijzing naar de volgende overwegingen van de rechtbank:
“Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of er nog een belang wordt gediend bij een beslissing op het verzoek tot machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 12 juli 2019 (HR 12-07-2019, ECLI:NL:HR:2019:1202). Met de verzochte machtiging tot inbewaringstelling wordt immers beoogd de gedwongen opname in de periode tot en met 20 december 2018 te voorzien van een geldige titel. Daarbij doet niet ter zake dat het in de aangehaalde beschikking gaat om een voorlopige machtiging en niet om een voortzetting van de inbewaringstelling, omdat het in beide gevallen gaat om maatregelen in het kader van de Wet Bopz waarvan de termijn inmiddels is verstreken.
Nu vaststaat dat er al een onherroepelijk geworden opvolgende voorlopige machtiging is verleend, bestaat er geen grond om bij de beoordeling van het onderhavige verzoek de huidige situatie van de betrokkene te betrekken. De rechtbank dient haar beslissing in dit geval te baseren op feiten en omstandigheden zoals deze zich voordeden ten tijde van het inleidende verzoek van de officier van justitie.
De rechtbank stelt voorop dat de verzochte machtiging slechts kan worden verleend indien de betrokkene gevaar veroorzaakte, het ernstige vermoeden bestond dat een stoornis van de geestvermogens de betrokkene het gevaar deed veroorzaken, het gevaar zo onmiddellijk dreigend was dat een voorlopige machtiging tot het doen opnemen of doen verblijven of tot het doen voortduren van het verblijf van de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis niet kon worden afgewacht en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kon worden afgewend.
De rechtbank is van oordeel dat het ernstige vermoeden bestaat dat bij de betrokkene sprake was van een stoornis van de geestvermogens als bedoeld in de Wet Bopz.
Volgens de geneeskundige verklaring was er bij de opname van betrokkene sprake van overige (incl. ongespecificeerde) psychotische stoornissen, wat zich uitte in het veroorzaken van veel overlast op straat en het uitschelden van vreemden (de politie was tien maal in de drie voorafgaande weken over de betrokkene gebeld), het niet in gesprek willen gaan met de onderzoekers, het schelden en schreeuwen tijdens het onderzoek naar de psychiater, het zich zeer agressief en explosief gedragen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken waar de betrokkene op de dag van de inbewaringstelling naar binnen was gelopen, en het bij de Sinterklaasintocht in Zoetermeer roepen “Alle blanken zijn racisten” en “black lives matter”. Een en ander is door de behandelend psychiater van de betrokkene ter zitting van 16 januari 2020 bevestigd. De verklaring van de psychiater en de geneeskundige verklaring worden daarnaast ook ondersteund door de zich in het dossier bevindende politiemutaties, die een beschrijving geven van de gedragingen van de betrokkene die uiteindelijk hebben geleid tot een opname.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de betrokkene door haar gedrag een gevaar voor zichzelf vormde. De betrokkene liep het risico dat zij door haar hinderlijke gedrag agressie van anderen over zich afriep.
De rechtbank is verder van oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kon worden afgewend. Ook een vrijwillig verblijf van de betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis bleek niet tot de mogelijkheden te behoren. De psychiater heeft immers verklaard dat de betrokkene absoluut niet vrijwillig wilde blijven. Ook de advocaat heeft verklaard dat de betrokkene het niet eens was met de behandeling of met haar verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis.”
3.2
Het onderdeel bevat, samengevat, de volgende klachten [6] :
(1) dat de rechtbank zich niet heeft uitgelaten over de onderwerpen waarop de Hoge Raad de beschikking van 29 november 2018 heeft vernietigd, te weten:
 dat de behandelend rechter niet langer bevoegd was om de door de officier van justitie gevraagde machtiging te verlenen vanaf het moment dat het wrakingsverzoek werd gedaan;
 dat er geen redenen waren om aan te nemen dat uitstel van de beslissing door de rechter tegen wie het wrakingsverzoek zich richtte, niet kon worden gedoogd;
(2) dat betrokkene hierdoor behandeld is in strijd met art. 5 lid 1 aanhef Pro en onder e in verbinding met art. 5 lid 4 en Pro art. 8 EVRM Pro, waardoor zij geen eerlijk proces heeft gehad als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro. [7]
3.3
Zoals uit het dictum van de beschikking van de Hoge Raad van 1 november 2019 blijkt, is de beschikking van de rechtbank van 29 november 2018 – integraal – vernietigd en is het geding teruggewezen naar de rechtbank Den Haag ter verdere behandeling en beslising. Dit leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de officier van justitie (om ten aanzien van betrokkene een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen (art. 27 lid Pro 1 (oud) Wet Bopz), geheel opnieuw diende te beoordelen. [8] Dit heeft de rechtbank ook gedaan. [9] Nu de Hoge Raad, op grond van de cassatieklachten, de punten die hiervoor in alinea 3.2 onder (1) zijn genoemd heeft beoordeeld, is het niet aan de rechtbank om hier (opnieuw) een oordeel over te geven. Deze klacht kan dus niet slagen. De klacht genoemd onder (2) bouwt hierop voort. Nu de klacht die hiervoor onder (1) is genoemd niet slaagt, kan reeds om die reden de onder (2) genoemde klacht evenmin slagen. Hierbij merk ik nog op dat de advocaat van betrokkene door betrokkene was gevolmachtigd en zowel tijdens de zitting op 4 december 2019 als de zitting op 16 januari 2020 namens haar het woord heeft gevoerd.
3.4
In subonderdeel 1.6 (tweede alinea) wordt opgemerkt dat het “zeer de vraag is” of aan de criteria voor een voortzetting van de inbewaringstelling op grond van de Wet Bopz werd voldaan. In het verzoekschrift is niet gespecificeerd welke “criteria” worden bedoeld, en evenmin is gespecificeerd op welke grond(en) hieraan niet zou zijn voldaan. Gelet hierop is deze klacht onvoldoende onderbouwd en kan reeds hierom niet tot cassatie leiden.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Ik geef Uw Raad toepassing van art 81 RO Pro in overweging.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Blijkens het verzoekschrift in cassatie zijn de Staat der Nederlanden en GGZ Rivierduinen door de rechtbank als belanghebbenden aangemerkt. In de bestreden beschikking is echter ook een oordeel gegeven over het verzoek om schadevergoeding, terwijl dit in cassatie (nu) niet ter beoordeling voorligt. Hiertegen is betrokkene kennelijk in hoger beroep gegaan. De Staat en GGZ Rivierduinen zijn in deze cassatiezaak door de griffie van de Hoge Raad als belanghebbenden opgeroepen en hebben een verweertermijn gekregen (maar beide geen verweerschrift ingediend). Het lijkt mij dat alleen de officier van justitie als verweerder beschouwd moet worden.
2.HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1691, NJ 2020/198.
3.Betrokkene is tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof Den Haag, zie het cassatieverzoekschrift blz. 7.
4.De verweertermijn liep t/m 10 juni 2020.
5.Zie HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1691, rov. 3.1.
6.Subonderdelen 1.1 en 1.6 (eerste alinea).
7.De subonderdelen 1.2, 1.3, 1.4, en 1.5 bevatten geen klacht.
8.Zie bijv. N.T. Dempsey en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in : Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/388.
9.Zie blz. 3 en 4 van de bestreden beschikking onder het kopje ‘Beoordeling van het verzoek tot machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling’.