ECLI:NL:PHR:2020:727
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling machtiging voortzetting inbewaringstelling op grond van Wet Bopz na wrakingsverzoek
Betrokkene werd op 21 november 2018 gedwongen opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet Bopz. Na een verzoek van de officier van justitie verleende de rechtbank op 29 november 2018 een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, ondanks een wrakingsverzoek van betrokkene tegen de rechter. De Hoge Raad vernietigde deze beschikking op 1 november 2019 wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor en onjuiste bevoegdheidsbeoordeling.
Na terugwijzing behandelde de rechtbank het verzoek opnieuw, waarbij betrokkene werd gehoord via haar advocaat en een psychiater aanwezig was. De rechtbank concludeerde dat voldaan was aan de criteria voor voortzetting van de inbewaringstelling, waaronder het bestaan van een geestesstoornis en gevaar voor zichzelf, en verleende opnieuw de machtiging tot voortzetting tot 20 december 2018. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Betrokkene stelde cassatie in tegen deze beschikking, stellende dat de rechtbank niet alle door de Hoge Raad vernietigde punten had beoordeeld en dat haar recht op een eerlijk proces was geschonden. De Procureur-Generaal adviseerde verwerping van het cassatieberoep, stellende dat de rechtbank het verzoek volledig opnieuw had beoordeeld en dat de klachten onvoldoende gegrond waren.
De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het cassatieberoep, waarmee de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling definitief bleef. De zaak betreft een belangrijke toetsing van procedurele waarborgen bij gedwongen opname en het recht op hoor en wederhoor.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt verworpen.