ECLI:NL:HR:2020:158
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitspraak over aanslagen zuiveringsheffing en boetebeschikkingen 2009-2010
In deze zaak stond de beoordeling centraal van aanslagen in de zuiveringsheffing en de daarbij opgelegde boetebeschikkingen voor de jaren 2009 en 2010 aan belanghebbende, een B.V. gevestigd te [Z]. Het geschil werd in eerste aanleg behandeld door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarvan de uitspraak op 12 april 2019 werd aangevochten door zowel belanghebbende als het dagelijks bestuur van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT) via cassatieberoepen bij de Hoge Raad.
Eerder was een arrest van de Hoge Raad van 17 november 2017 gewezen, waarbij een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd vernietigd en de zaak werd verwezen naar het Hof in ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. In het onderhavige arrest heeft de Hoge Raad de klachten van beide partijen tegen het Hof beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. Daarbij heeft de Hoge Raad geen motivering gegeven omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Ten aanzien van de proceskosten is het dagelijks bestuur van het GBLT veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende in cassatie heeft moeten maken, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Belanghebbende zelf is niet in de proceskosten veroordeeld. Tevens is een griffierecht van € 519 geheven van het dagelijks bestuur van het GBLT.
Het arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter en raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen ongegrond en veroordeelt het GBLT tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.