Uitspraak
wonende te [woonplaats] , Zwitserland,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 oktober 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de verjaring van een vordering tot schadevergoeding wegens ondeugdelijk belastingadvies door een belastingadvieskantoor aan een voormalig directeur-grootaandeelhouder en diens vennootschap.
Na verkoop van zijn onderneming en emigratie naar Zwitserland adviseerde het kantoor over fiscale constructies, waaronder verplaatsing van vennootschappen naar Malta. De belastingdienst legde naheffingsaanslagen dividendbelasting en vennootschapsbelasting op, die na bezwaar en beroep werden gehandhaafd. De eiser stelde het advieskantoor aansprakelijk voor de geleden schade.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de verjaringstermijn begon te lopen bij het opleggen van de naheffingsaanslagen in 2005, waardoor de vordering in 2010 was verjaard. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel omdat het hof onvoldoende onderscheid maakte tussen kennis van de vennootschappen en van de aandeelhouder persoonlijk en onvoldoende rekening hield met de geruststellende mededelingen van het advieskantoor, waardoor de eiser pas later voldoende zekerheid had over de aansprakelijkheid.
De Hoge Raad verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing over het juiste aanvangsmoment van de verjaringstermijn en de gevolgen daarvan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug vanwege onjuiste beoordeling van het aanvangsmoment van de verjaringstermijn.