Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
27 oktober 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die een auto na reparatie onder zich hield en gebruikte terwijl hij wachtte op betaling, hetgeen werd aangemerkt als verduistering op grond van artikel 321 Sr Pro. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte veroordeeld. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, met klachten over het bewijs en het opzet op wederrechtelijke toe-eigening.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. Daarbij is overwogen dat het niet noodzakelijk is om inhoudelijk op de vragen in te gaan omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest van het hof in stand gelaten. Hiermee is de veroordeling van de verdachte wegens verduistering bevestigd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend op 27 oktober 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep is verworpen en de veroordeling voor verduistering van de auto blijft in stand.