III. De bewezenverklaring en bewijsvoering
4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 3 mei 2019 te Roosendaal opzettelijk een personenauto BMW gekentekend [kenteken], toebehorende aan garagebedrijf [A], welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten in leen (om het voertuig aan zijn vrouw te tonen), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”
5. Het hof heeft zich wat deze bewezenverklaring betreft verenigd met de door de eerste rechter gebezigde bewijsmiddelen en heeft deze ten grondslag gelegd aan zijn beslissing, onder aanvulling van het navolgende bewijsmiddel:
“Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een fotokopie van de onderhavige koopovereenkomst (pagina 24-27 van het politiedossier met registratienummer PL2000-2019102676), voor zover - naast hetgeen in het beroepen vonnis is opgenomen - inhoudende:
(
pagina 27:)
Koopovereenkomst
Overeenkomst nr. 17960
Datum 03.05.2019
Wijze van betalen: Het verschuldigde bedrag wordt voor of bij aflevering betaald.
Vermoedelijke leveringsdatum 11.05.2019
plaats ROOSENDAAL
Datum 03.05.2019”
6. De door het hof overgenomen bewijsmiddelen zijn weergegeven in de aantekening van het mondeling vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 15 november 2019. Deze bewijsmiddelen houden het volgende in:
“- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1] namens [A] d.d. 3 mei 2019, pagina 18, laatste alinea, en pagina 19 van het eindproces-verbaal met registratienummer PL2000-2019102676. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:
‘Op 3 mei 2019 was ik werkzaam als verkoper bij de BMW garage aan de [a-straat 1] te Roosendaal. Omstreeks 12.00 uur kwam er een man binnen, die zich voorstelde als [verdachte]. De man gaf aan dat hij geïnteresseerd was in een BMW X1 en hij vroeg of hij hierin een proefrit mocht maken. De man zei dat hij zijn rijbewijs niet bij zich had. De man en ik maakten vervolgens met een blauwe BMW X1, voorzien van het kenteken [kenteken], een proefrit in Roosendaal en omgeving. Bij terugkomst van de proefrit was de man positief en wilde hij deze auto kopen. Hij tekende vervolgens de koopovereenkomst. Hierna vroeg de man of hij de auto aan zijn vrouw mocht laten zien. Daarna zou hij meteen weer terug komen. De man overhandigde zijn identiteitskaart en zijn bankpas, waar ik een kopie van maakte. Ik zag dat foto van de identiteitskaart overeenkwam met de man. De man vertrok vervolgens met de BMW X1 en kwam niet meer terug met de auto. Ik nam vervolgens contact op met de politie.’
- Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 2019, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], pagina 28 en 29 van het eindproces-verbaal met registratienummer PL2000-2019102676. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:
‘Op 4 mei 2019 omstreeks 16:53 uur werden wij, verbalisanten, door de meldkamer gestuurd richting de A32, omdat er zojuist een personenauto door de ANPR te Meppel was gereden, dat geregistreerd stond als gestolen dan wel verduisterd. Het zou gaan om een blauwe BMW X1, voorzien van kenteken [kenteken]. Dit voertuig zou vanuit de richting van Meppel in de richting van Leeuwarden rijden. Hierop hebben wij positie ingenomen op de A32 ter hoogte van de oprit Wolvega. Ik, [verbalisant 2], zag bij het opvragen van het kenteken in het systeem, dat voorgenoemd voertuig op 3 mei 2019 was weggenomen na een proefrit bij een garage in Roosendaal. Ik zag dat de persoon die de proefrit had gemaakt en die genoemd werd als zijnde verdachte [verdachte], geboren op 23 oktober 1965, was. Omstreeks 16:07uur zagen wij over de A32, komende vanuit de richting van Meppel, voornoemde personenauto rijden. Hierop zijn wij achter dit voertuig gaan rijden. Toen wij de bestuurder een stopteken gaven, zagen wij dat de bestuurder hieraan voldeed. Ik, [verbalisant 2], deelde de verdachte de cautie mede en vorderde zijn rijbewijs. Ik hoorde de verdachte verklaren dat zijn rijbewijs thuis lag. Ik zag dat de verdachte mij een NS Business Card overhandigde. Ik zag hierop de volgende persoonsgegevens vermeld staan: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1965. De verdachte toonde ons op het politiebureau zijn identiteitsbewijs, welke gegevens overeenkwamen met de gegevens op de NS Business Card.’
- Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 5 mei 2019, pagina 33, tweede, derde en elfde alinea, en pagina 34, derde en tiende alinea, van het eindproces-verbaal met registratienummer PL2000-2019102676. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:
‘Ik ben op 3 mei 2019 naar de BMW dealer [A] aan de [a-straat 1] te Roosendaal gegaan met de intentie om een auto te kopen. Ik heb een auto uitgezocht, een blauwe BMW X1. Nadat ik een proefrit had gemaakt met een medewerker van het autobedrijf, ben ik met hem tot een overeenkomst gekomen en hebben we de deal afgerond. Ik zou de auto op 11 mei 2019 bij de autodealer ophalen. Ik gaf aan dat ik de auto nog aan mijn vrouw wilde laten zien. Dat vond de verkoper goed. Ik heb de auto aan haar laten zien. Op 4 mei 2019 reed ik in de auto naar familie in Friesland.’
- Het schriftelijk bescheiden, inhoudende de koopovereenkomst tussen [A] en verdachte [verdachte] d.d. 3 mei 2019, pagina 24 t/m 27 van het eindproces-verbaal met registratienummer PL2000-2019102676. Dit stuk houdt, zakelijk weergegeven, in:
- ‘Een koopovereenkomst tussen [A] en verdachte [verdachte], waarbij overeen is gekomen dat verdachte een blauwe BMW X1 koopt voor een bedrag van € 45.573,00, welke auto omstreeks 11 mei 2019 zal worden geleverd.’”
7. De nadere bewijsoverweging van het hof houdt het volgende in:
“I.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde personenauto onder zich had op grond van een leenovereenkomst, aangezien de koopovereenkomst reeds was ondertekend en de auto reeds aan verdachte was geleverd. Als er vanuit wordt gegaan dat er niet op 3 mei is geleverd en dat uitgegaan zou moeten worden van 11 mei als zijnde de leveringsdatum, kan ook niet tot een bewezenverklaring worden gekomen. Er zou dan ten hoogste gesteld kunnen worden in civielrechtelijke zin dat er sprake zou zijn van wanprestatie aan de zijde cliënt. Wanprestatie is geen strafbaar feit. In dit kader kan verwezen worden naar een uitspraak van de Hoge Raad van 2 oktober 2012, ECLI:NL:2012:BV8280.
Cliënt is van mening dat hij al eigenaar was, en dus geen houder. Indien en voor het geval er vanuit wordt gegaan dat cliënt wel houder was, merkt cliënt op dat het te lang laten voortduren van dat houderschap geen strafbaar feit oplevert. De rechtbank komt ten onrechte wel tot deze conclusie. De rechtbank miskent daarmee dat dit gelet op de context, namelijk dat er een overeenkomst is gesloten een civielrechtelijk aspect is. Ten hoogste kan dan gesteld worden dat cliënt handelde in strijd met de civielrechtelijke overeenkomst. Een dergelijke civielrechtelijke handelswijze kent daarvoor zijn eigen remedies, zoals bijvoorbeeld het vorderen van afgifte of schadevergoeding.
Het hof overweegt als volgt.
In de onderhavige koopovereenkomst staat als bepaling opgenomen dat de koopsom voorafgaand aan de levering dient te worden betaald. De verdachte had al lange tijd en dus ook op dat moment financiële schulden, maar heeft er toch voor getekend dat de koopsom voorafgaand aan de levering moest worden betaald. Voorts is door de raadsman betoogd dat de verdachte tot het plegen van strafbare feiten is gekomen omdat hij diep in de schulden is geraakt en daar niet meer uit kwam. Nergens uit blijkt dat de verdachte de beschikking had of kon hebben over een dergelijk geldbedrag. Nu de betaling ook niet heeft plaatsgevonden is het hof van oordeel dat er geen levering heeft plaats gevonden.
Volgens de verklaring van de verkoper heeft de verdachte vervolgens te kennen gegeven dat hij de auto aan zijn vrouw wilde laten zien. Het hof heeft geen enkele reden om aan de verklaring van de verkoper op dit punt te twijfelen. Ook de verdachte heeft in zijn verklaring bij de politie heeft gezegd dat hij aan de koper heeft gevraagd om de auto aan zijn vrouw te mogen laten zien. De verkoper en verdachte zijn het er derhalve over eens dat verdachte de auto heeft geleend om aan zijn vrouw te laten zien. Gezien het feit dat verdachte en verkoper het in hun verklaringen eens waren over het feit dat het om het - tijdelijk - lenen van de auto ging, heeft verdachte de auto rechtmatig onder zich gehad op grond van een leenovereenkomst en heeft hij deze zich vervolgens wederrechtelijk toegeëigend door hem niet terug te brengen naar de eigenaar. Het hof ziet derhalve geen reden om op eventuele andere civielrechtelijke beschouwingen in te gaan.
De verweren worden mitsdien verworpen.
II.
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.”