Conclusie
pagina 27:)
- Het schriftelijk bescheiden, inhoudende de koopovereenkomst tussen [A] en verdachte [verdachte] d.d. 3 mei 2019, pagina 24 t/m 27 van het eindproces-verbaal met registratienummer PL2000-2019102676. Dit stuk houdt, zakelijk weergegeven, in:
- ‘Een koopovereenkomst tussen [A] en verdachte [verdachte], waarbij overeen is gekomen dat verdachte een blauwe BMW X1 koopt voor een bedrag van € 45.573,00, welke auto omstreeks 11 mei 2019 zal worden geleverd.’”
geenproefrit meer. Opgemerkt wordt dat de auto toen ook geen handelaarskenteken / groen kenteken had, maar een 'normaal' geel kenteken.
"vermoedelijk"geleverd zou worden op 11 mei 2019. Je kunt stellen dat de eigendom pas op 11 mei zou overgaan. Maar het woord 'vermoedelijk' laat de mogelijkheid open dat er op een ander moment geleverd kon worden. Na het ondertekenen van de schriftelijke overeenkomst heeft cliënt gevraagd of hij de auto mee kon nemen. Daar is mee ingestemd. Dit kan worden gezien als een afwijking van de eerder in de koopovereenkomst opgenomen vermoedelijke leveringsdatum. De toestemming, samen met de machtsverschaffing, kan worden gezien als levering, zoals bedoeld in artikel 3:90 lid 1 BW Pro.
NJ2016/424 geeft een voorbeeld van een zaak waarin het oordeel van het hof dat het niet terugbrengen van een voertuig wederrechtelijke toe-eigening opleverde in cassatie overeind bleef. In die zaak bleek dat de verdachte na afloop van de huurovereenkomst een gehuurde bedrijfsauto niet had teruggebracht en de auto gedurende een periode van tweeënhalve maand na de afgesproken retourdatum – en daarmee tot aan zijn aanhouding – was blijven gebruiken. Het hof oordeelde dat sprake was van zich wederrechtelijk toe-eigenen omdat niet alleen was vastgesteld dat de verdachte de voor een bepaalde tijd gehuurde bedrijfsauto ook daarna was blijven gebruiken, maar tevens dat door aan de zijde van de verdachte gelegen omstandigheden de betaling van de factuur (automatische incasso) door de bank was gestorneerd, dat de verhuurder herhaaldelijk had geprobeerd met de verdachte in contact te komen en dat de verdachte niet traceerbaar was, ook niet aan de hand van het door hem opgegeven adres. [8] Dat oordeel gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was toereikend gemotiveerd.
mochtlaten zien en dat de medewerker dit (slechts) toestond nadat hij kopieën had gemaakt van het identiteitsbewijs van de verdachte. Dat brengt mee dat het middel faalt voor zover het klaagt dat het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op het door de verdediging ingenomen standpunt dat de BMW op 3 mei 2019 reeds aan de verdachte toebehoorde. De weerlegging van dat standpunt ligt immers voldoende besloten in de door het hof gebezigde bewijsvoering.
opzettelijkwederrechtelijk heeft toegeëigend, moet het mijns inziens ook falen. Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt immers dat de verdachte niet slechts heeft verzuimd de BMW aan de garage terug te geven. Uit de bewijsvoering van het hof zijn namelijk de volgende voor het bewijs van verduistering redengevende bijkomende omstandigheden af te leiden: i) de verdachte heeft gehandeld in strijd met zijn toezegging aan de verkoopmedewerker om meteen op 3 mei 2019 weer terug te komen nadat hij de van de garage geleende BMW aan zijn vrouw had laten zien, en ii) de verdachte heeft de BMW in strijd met de afspraak in het geheel niet teruggebracht en heeft deze op 4 mei 2019 aan het einde van de middag gebruikt voor een familiebezoek in Friesland. Uit deze vastgestelde bijkomende omstandigheden blijkt dat de verdachte de BMW aanzienlijk langer heeft gebruikt dan hem krachtens de leenovereenkomst met de garage was toegestaan en dat hij het voertuig ook voor een geheel ander doel heeft gebruikt dan waarvoor het voertuig aan hem was meegegeven. [9] Tegen de achtergrond van deze uit de bewijsvoering blijkende bijkomende omstandigheden, is niet onjuist, noch onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester heeft beschikt over de BMW door deze in strijd met de afspraak onder zich te houden, dat wil zeggen totdat hij het stopteken van de politie kreeg, en te gebruiken voor een familiebezoek op een plek ver van de garage. Gelet op de door het hof vastgestelde omstandigheden doet zich, anders dan door de steller van het middel wordt betoogd, in de onderhavige zaak niet het geval voor dat de verdachte enkel is tekortgeschoten in de civielrechtelijke verplichting tot (tijdige) teruggave van de geleende auto.