ECLI:NL:PHR:2022:420

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
3 mei 2022
Zaaknummer
19/05793
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrArt. 27 SrArt. 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring verduistering auto na proefrit en vluchtpoging

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor verduistering van een auto die hij tijdens een proefrit had meegekregen en niet terugbracht. De auto werd door hem gebruikt om van Amsterdam naar Zuid-Limburg te rijden, waarna hij vluchtte voor de politie.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat de verdachte zich de auto wederrechtelijk had toegeëigend. Dit oordeel was gebaseerd op meerdere bijkomende omstandigheden, zoals het langer dan afgesproken gebruik van de auto, het gebruik voor een ander doel dan de proefrit, het onbereikbaar zijn voor de eigenaar en de vluchtpoging bij politieaanhouding.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd. De zaak werd deels vernietigd en terugverwezen voor hernieuwde berechting van andere tenlastegelegde feiten, maar de veroordeling voor verduistering bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaring van verduistering van de auto en verwerpt het cassatieberoep tegen deze veroordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/05793
Zitting10 mei 2022
AANVULLENDE CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.
I. Inleiding
1. Zoals ik eerder al in mijn conclusie van 12 april 2022 heb opgemerkt, is de verdachte bij arrest van 17 december 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro, wegens 1. subsidiair “verduistering” en 2. “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”. Daarnaast heeft het hof de verdachte wegens 3. “overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994” voorwaardelijk veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren. Verder herhaal ik hier voor de goede orde dat het hof tevens beslissingen heeft genomen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr aan de verdachte heeft opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. In mijn (bij vervroeging) op 12 april 2022 genomen conclusie ben ik ingegaan op het eerste middel en het tweede middel van cassatie in deze zaak. Deze middelen zijn namens de verdachte door mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur van 10 september 2020 en aanvullende schriftuur van 10 september 2020 voorgesteld en hebben onderscheidenlijk betrekking op de onder feit 2 bewezenverklaarde overtreding van art. 9, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 en (kort gezegd) de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Na het nemen van deze conclusie bleek mij dat mr. J. Kuijper namens de verdachte nog een (tweede) aanvullende schriftuur met een (derde) cassatiemiddel heeft ingediend, die van 12 september 2020 is gedateerd. In deze aanvullende conclusie laat ik mij alsnog over dat (derde) middel uit.
3. Het derde middel ziet op de onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde verduistering.
II. Het derde middel en de bespreking daarvan
Middel
4. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte zich de personenauto wederrechtelijk heeft toegeëigend niet toereikend is gemotiveerd.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
5. Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij op 28 maart 2017 te Amsterdam, opzettelijk een personenauto, toebehorende aan [A] B.V., en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als potentiële koper, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”
6. Het hof heeft voor het bewijs van dit feit onder meer de volgende bewijsmiddelen opgenomen:
“1.
Proces-verbaal van aangifte d.d. 29 maart 2017, dossierpagina’s 4-5, voor zover inhoudende de verklaring van aangever [aangever] namens [A] B.V. te Amsterdam:
lk ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben verkoper bij [A] B.V. te Amsterdam en doe aangifte namens het bedrijf.
Op dinsdag 28 maart 2017 omstreeks 12.50 uur kwam er een man de garage binnenlopen. Ik sprak de man aan en hij vertelde dat hij zich oriënteerde voor een andere auto. De man vertelde dat hij ongeveer 20.000 euro uit wilde geven en ik stelde verder nog wat vragen. Het kwam op mij over dat hij echt geïnteresseerd was in het kopen van een nieuwe auto.
De man wilde een proefrit maken in een Honda CRV uit 2014. Ik vroeg hem om zijn rijbewijs, voor het maken van een kopie. Hij vertelde dat zijn rijbewijs in zijn truck lag en daarom gaf hij mij een identiteitsbewijs. Ik heb een kopie gemaakt (...). Het bleek te gaan om de volgende persoon: [verdachte], geboren [geboortedatum]-1958 te [geboorteplaats].
Ik heb een aantal zaken genoteerd op een proefrit formulier, zoals zijn woonadres en telefoonnummer. Een kopie van het formulier heb ik bij mij om bij de aangifte te voegen. De man ondertekende het proefritformulier en we spraken af dat hij maximaal een halfuur à drie kwartier zou wegblijven.
Na anderhalf uur begon ik mij een beetje zorgen te maken en ben ik gaan bellen naar de man. Het door hem opgegeven 06-nummer bleek niet in gebruik te zijn. Ik heb toen de politie gebeld (...). Vanmorgen dus 29 maart 2017 ben ik gebeld door de politie in Limburg dat het voertuig en de dader zijn aangehouden.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2.
Proefritformulier, dossierpagina 7, voor zover inhoudende:
Gegevens gebruiker
Naam en voorletters: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum]-1958
Telefoonnummer: (
het hof begrijpt 06-) [telefoonnummer]
Gegevens auto
Merk: CRV
Type: Elegance
Kenteken: [kenteken]
De gebruiker krijgt de auto in bruikleen voor de genoemde periode. De auto blijft eigendom van het autobedrijf.
Aanvang proefrit: 27/3/17 Einde proefrit: 27/3/17
Tijdstip: 13:18 Tijdstip einde proefrit: 14:00
Handtekening gebruiker Handtekening namens
[A] B.V.
(
hof: w.g. verdachte [verdachte]) (
hof: w.g.)
3.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 maart 2017, dossierpagina’s 28-29, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4]:
Op woensdag 29 maart 2017 nam ik telefonisch contact op met de tenaamgestelde van het ontvreemde voertuig met kenteken [kenteken] (
het hof begrijpt dat bedoeld zal zijn: [kenteken]). Dit betrof het autobedrijf: [A], [a-straat 1], Amsterdam. Ik werd te woord gestaan door de directrice van dit bedrijf genaamd [betrokkene 1].
Uit het telefonisch gesprek begreep ik dat het bedrijf een contract had opgesteld voor een proefrit in voornoemd voertuig. (...) In het contract was weergegeven dat voornoemd voertuig in bruikleen zou worden gegeven op 28 maart 2017 te 13.18 uur tot 28 maart 2017 te 14.00 uur aan verdachte [verdachte].
(...) ik, [verbalisant 4], stelde vast dat de datums op voornoemd [formulier] niet overeenkwam[en] met de datum welke [betrokkene 1] mij telefonisch had medegedeeld.
Zij (
hof: [betrokkene 1]) deelde mede dat haar medewerker [aangever] zich had vergist in de dag en dat hij inderdaad een dag eerder vermeld had.
4.
Proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding d.d. 28 maart 2017, dossierpagina’s 12-13, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5]:
De verdachte verklaarde dat hij de personenauto waarin hij reed tijdens de aanhouding had geleend bij een autogarage voor een proefrit en dat hij deze niet heeft teruggebracht. Verdachte gaf aan dat dit zijn eigen schuld was.
5.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2017, dossierpagina’s 16-18, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Op dinsdag 28 maart 2017 waren wij verbalisanten doende met surveillancedienst binnen de gemeenten Echt-Susteren, Roerdalen en Maasgouw. Wij waren in politieuniform gekleed en reden in een opvallend dienstvoertuig. Op dinsdag 28 maart 2017, omstreeks 18.40 uur, ontvingen wij van de regionale politiemeldkamer de melding dat er een bruine personenauto, merk Honda, type CR-V, voorzien van het Nederlands [kenteken], door de ANPR (Automatic NumberPlate Recognition) was gereden bij Leende. Dit voertuig reed over de rijksweg A2, komend uit de richting van Amsterdam, rijdend in de richting van Maastricht. Het voertuig was gesignaleerd omdat het eerder op de dag zou zijn gestolen. Hierop zijn wij post gaan vatten op de A2, rechterzijde, ter hoogte van hectometerpaal 220.4.
Op dinsdag 28 maart 2017, omstreeks 19.10 uur, zagen wij voornoemd voertuig rijden, over de rijksweg A2, komend uit de richting van Amsterdam, rijdend in de richting van Maastricht.
Op dinsdag 28 maart 2017, omstreeks 19.10 uur, gaven wij, middels het stoptransparant aan de voorzijde van ons dienstvoertuig, een stopteken aan voornoemd voertuig. Wij reden ongeveer 25 meter achter het betreffende voertuig. Wij zagen dat er een man in de bruine personenauto zat. Wij zagen dat deze persoon het gegeven stopteken negeerde. Wij zagen dat voornoemde personenauto zijn snelheid verhoogde met vermoedelijk de intentie om zich te onttrekken aan zijn staandehouding. Wij hebben hierop direct onze optische en geluidssignalen aangezet, het voertuig bleef zijn snelheid verhogen. Ik, [verbalisant 1], zag dat onze snelheid ongeveer 190 kilometer per uur betrof. Ik zag dat de afstand tussen ons en de voornoemde personenauto, terwijl wij 190 km per uur reden, niet verkleinde of groter werd. Wij reden toen ongeveer 50 meter achter het betreffende voertuig.
Op dinsdag 28 maart 2017, tussen 19.10 en 19.15 uur, zagen wij, dat voornoemde personenauto afslag 47, richting Born, nam op de rijksweg A2. Wij zagen dat hij aan het eind van de afrit met hoge snelheid tussen de aldaar wachtende personenauto’s reed, vervolgens door rood verkeerslicht reed en rechts afsloeg in de richting van Born. Wij zagen dat er op dat moment een groene personenauto reed over de provinciale weg N297, komend uit de richting van Nieuwstadt, rijdend in de richting van Born. Wij zagen dat voornoemde groene personenauto ternauwernood voornoemde bruine personenauto kon ontwijken door hard te remmen. Wij achtervolgden de bruine personenauto over de Aldenhofweg te Born, binnen de gemeente Sittard (
het hof begrijpt: Sittard-Geleen). Wij zagen dat vervolgens de personenauto rechtsaf sloeg de Havenweg op binnen de gemeente Buchten. Wij zagen dat op deze weg een snelheid was van maximaal 30 kilometer per uur. Ik, [verbalisant 1], zag dat onze snelheid op deze weg ongeveer 90 kilometer per uur betrof. Ik zag dat de snelheid van de achtervolgde personenauto nagenoeg niet minderde bij aankomst bij de kruising Ankersweg. De kruising Havenweg-Ankersweg is onoverzichtelijk. Bestuurder van de voornoemde bruine personenauto sloeg rechtsaf de Buchterweg in, alwaar de snelheid weer opliep richting de 100 kilometer per uur. Vervolgens sloeg hij rechtsaf de Verloren van Themaatweg op, weer terug in de richting van de Aldenhof.
Op dinsdag 28 maart 2017, omstreeks 19.14 uur, zagen wij dat voornoemde bruine personenauto stopte op de Aldenhofweg, ter hoogte met de rotonde Glaudius en Havenweg.
Wij zijn uit ons voertuig gestapt en naar het voertuig gelopen. Ik, [verbalisant 2], sloeg het passagiersraam aan de bijrijderszijde in om de verdachte aan te houden. Ik, [verbalisant 1], opende het bestuurdersportier en riep de bestuurder van de bruine personenauto aan om de gordel los te maken.
Op dinsdag 28 maart 2017, omstreeks 19.15 uur, hielden wij de bestuurder van de personenauto aan op verdenking van diefstal c.q. verduistering van een personenauto en artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet.
Op dinsdag 28 maart 2017, omstreeks 19.16 uur, fouilleerde ik de bestuurder van de voornoemde bruine, personenauto om zijn identiteit te achterhalen. Ik vond in zijn rechterbroekzak zijn Nederlandse identiteitskaart waarop stond:
naam: [verdachte]
voornamen: [verdachte]
geboortedatum: [geboortedatum] 1958.
Op dinsdag 28 maart 2017, omstreeks 21.30 uur, zochten wij verdachte [verdachte] op in het politiesysteem. Wij zagen dat verdachte [verdachte] zijn rijbewijs in 2001 volledig ongeldig was verklaard.”
7. De bewijsoverweging van het hof houdt het volgende in (met weglating van de voetnoten):
“Uit de aangifte van [aangever] namens [A] B.V. te Amsterdam volgt dat de verdachte op 28 maart 2017 bij dit autobedrijf te kennen gaf dat hij zich oriënteerde op het kopen van een andere auto en dat hij ongeveer € 20.000,00 wilde uitgeven. De verdachte kwam volgens [aangever] echt geïnteresseerd over. Vervolgens wilde de verdachte een proefrit maken met een Honda CRV uit 2014, waarna een proefritformulier is opgesteld, is ondertekend en de auto aan de verdachte is meegegeven. De verdachte zou, volgens afspraak, de auto maximaal een half uur à drie kwartier meenemen.
De verdachte heeft, bij gelegenheid van de voorgeleiding, verklaard dat hij de personenauto bij de garage had geleend voor een proefrit en dat hij deze auto niet heeft teruggebracht. Bij zijn verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij de auto meegenomen heeft omdat hij medicijnen moest ophalen in Kerkrade.
Na ommekomst van de afgesproken tijd waarop de auto terug moest zijn, te weten 28 maart 2017 te 14.00 uur, was de auto niet teruggebracht. De verdachte is door de politie op 28 maart 2017 te 18.40 uur gesignaleerd, rijdend in de richting van Maastricht, over de rijksweg A2 en te Born om 19.14 uur aangetroffen in de personenauto en vervolgens aangehouden.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat het autobedrijf aan de verdachte, die overkwam als oprechte potentiële koper, een personenauto heeft toevertrouwd voor het maken van een proefrit, waartoe een overeenkomst is opgemaakt op naam van de verdachte. Vervolgens is de personenauto voor dat doel aan de verdachte afgegeven, waardoor hij de auto rechtmatig onder zich had. Echter, nu de verdachte met de auto naar Kerkrade is gaan rijden en de auto niet terug heeft gebracht op de afgesproken tijd, heeft de verdachte zich deze auto wederrechtelijk toegeëigend en heeft hij besloten om met de auto te blijven rijden. Door op deze wijze de auto naar eigen goeddunken ten nutte te maken is de verdachte als heer en meester over die auto gaan beschikken.
Anders dan de politierechter, de advocaat-generaal en de verdediging, is het hof derhalve van oordeel dat de uit de bewijsmiddelen naar voren komende feiten en omstandigheden het strafbare feit van verduistering opleveren.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair […] ten laste gelegde heeft begaan.”
Juridisch kader
8. In mijn conclusie voorafgaande aan HR 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:416 heb ik het juridisch kader met betrekking tot verduistering van, onder meer, niet (tijdig) aan de eigenaar/rechthebbende teruggebrachte voertuigen als volgt uiteengezet (hier met vernummering van de voetnoten):
“9. Bij de bespreking van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. In de bewezenverklaring is het begrip “zich wederrechtelijk toe-eigenen” – overeenkomstig de tenlastelegging – gebezigd in de betekenis die aan dit begrip in art. 321 Sr Pro toekomt. Van zodanig toe-eigenen is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als ‘heer en meester’ beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. [1] Bij verduistering ontbreekt, anders dan bij diefstal, een daad van wegnemen die als objectieve maatstaf kan gelden. De verdachte heeft het goed immers rechtmatig onder zich, waardoor de wil tot toe-eigening ergens anders uit moet blijken. Als die intentie niet in de verklaring van de verdachte zelf wordt verwoord, dan zal uit de feiten en omstandigheden (met name het gedrag) moeten kunnen worden afgeleid dat de verdachte met een wil tot toe-eigening als ‘heer en meester’ over het goed is gaan beschikken. Dat is bijvoorbeeld het geval als deze zonder toestemming van de (onwetende) eigenaar of de rechthebbende het desbetreffende voorwerp probeert te vervreemden (verkopen), uitlenen, schenken, verbergen, vernietigen of voor zichzelf wil behouden en hij zich aldus als eigenaar gedraagt. [2] De enkele omstandigheid dat de verdachte een gehuurd, geleased of geleend goed niet heeft teruggebracht of de verschuldigde geldsom niet heeft betaald, is niet voldoende voor het bewijs van wederrechtelijke toe-eigening. [3] Er zal van een bijkomende omstandigheid moeten blijken, wil verduistering in beeld komen. [4]
10. Binnen het leerstuk van de verduistering nemen voertuigen die in strijd met een al dan niet op schrift gestelde afspraak niet (tijdig) worden teruggebracht bij de eigenaar/rechthebbende een bijzondere positie in. In zijn conclusie vóór HR 8 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:848 – waarin de Hoge Raad het cassatiemiddel afdeed met toepassing van art. 81 RO Pro – is toenmalig plv. A-G Frielink nader op deze gevallen van verduistering ingegaan. [5] Op basis van een analyse van de rechtspraak van de Hoge Raad komt mijn ambtgenoot tot de volgende bevindingen (met weglating van een voetnoot):
“4.7. Uit het voorgaande volgt dat de feitenrechter voor een bewezenverklaring van het verduisteren van een voertuig niet kan volstaan met de enkele vaststelling dat het aan de verdachte meegegeven voertuig niet (op tijd) is teruggebracht bij de eigenaar/rechthebbende. Uit die enkele vaststelling blijkt immers niet dat de verdachte, zonder daartoe gerechtigd te zijn, als heer en meester over het voertuig heeft beschikt. Wanneer de verdachte niet volmondig heeft bekend, zal ‘de wederrechtelijke toe-eigening’ moeten worden afgeleid uit andere, uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden als:
- voortgezet gebruik van het voertuig door de verdachte zelf of door de verdachte toegestaan aan een derde
- het zich met het voertuig uit de voeten maken bij betrapping
- het niet nakomen van nieuw gemaakte afspraken voor het terugbrengen van het voertuig
- het onbereikbaar houden voor de eigenaar/rechthebbende (niet reageren op aanmaningen of telefonische oproepen, etc)
- het voertuig gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het is afgegeven (de proefritauto gebruiken om van A naar B te komen)
- het voertuig aanmerkelijk langer gebruiken dan te doen gebruikelijk is
- het voertuig op een volstrekt andere locatie achterlaten”
11. Ook naar mijn inzicht kan de rechter de hiervoor weergegeven omstandigheden als voor het bewijs van verduistering redengevende ‘bijkomende omstandigheden’ beschouwen als de verdachte een voertuig niet (tijdig) heeft teruggebracht naar de eigenaar/rechthebbende. Daarmee is niet gezegd dat altijd sprake is van een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring van verduistering als – samen met het feit dat de verdachte het voertuig in strijd met de afspraak niet (tijdig) heeft teruggebracht – één van de hiervoor vermelde omstandigheden uit de bewijsvoering blijkt. Het antwoord op de vraag of de bewezenverklaring van verduistering in zo een geval toereikend is gemotiveerd, is immers steeds afhankelijk van de precieze feiten en (bijkomende) omstandigheden die het hof heeft vastgesteld. Om die reden is het nuttig ter illustratie nog enkele uitspraken van de hoven te bezien die de cassatietoets doorstonden.
12. Het arrest van HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2076,
NJ2016/424 geeft een voorbeeld van een zaak waarin het oordeel van het hof dat het niet terugbrengen van een voertuig wederrechtelijke toe-eigening opleverde in cassatie overeind bleef. In die zaak bleek dat de verdachte na afloop van de huurovereenkomst een gehuurde bedrijfsauto niet had teruggebracht en de auto gedurende een periode van tweeënhalve maand na de afgesproken retourdatum – en daarmee tot aan zijn aanhouding – was blijven gebruiken. Het hof oordeelde dat sprake was van zich wederrechtelijk toe-eigenen omdat niet alleen was vastgesteld dat de verdachte de voor een bepaalde tijd gehuurde bedrijfsauto ook daarna was blijven gebruiken, maar tevens dat door aan de zijde van de verdachte gelegen omstandigheden de betaling van de factuur (automatische incasso) door de bank was gestorneerd, dat de verhuurder herhaaldelijk had geprobeerd met de verdachte in contact te komen en dat de verdachte niet traceerbaar was, ook niet aan de hand van het door hem opgegeven adres. [6] Dat oordeel gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was toereikend gemotiveerd.
13. Voorts wijs ik op twee recentere arresten waarin de Hoge Raad het tegen de veroordeling wegens verduistering ingestelde cassatieberoep afdeed met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering: HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1679 en HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1257. In de zaak die leidde tot het arrest van 27 oktober 2020 was de verdachte als reparateur van een auto deze auto privé gaan gebruiken. Uit de gebezigde bewijsvoering bleek dat de verdachte de auto na de uitgevoerde reparatie onder zich had gehouden vanwege het uitblijven van de betaling van de reparatiekosten door de eigenaar van de auto. Door die auto vervolgens daadwerkelijk zelf te gebruiken, ging de verdachte volgens het hof echter verder dan de enkele uitoefening van het retentierecht, zodat hij zich daarmee de auto wederrechtelijk had toegeëigend. Dat oordeel doorstond als gezegd de cassatietoets. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 21 september 2021 had de verdachte een auto onder zich in verband met de voorgenomen verkoop van die auto aan hem. Uit de gebezigde bewijsvoering bleek dat de verdachte i) zijn afspraken omtrent het betalen van de koopsom en de overschrijving op zijn naam van het kenteken niet was nagekomen, ii) aan de verkoper had bericht toch van de aankoop van de auto af te zien en iii) met de auto van Den Bosch naar Tiel was gereden en de auto daar onbeheerd had achtergelaten. Die vastgestelde omstandigheden leverden voldoende grond op voor het oordeel van het hof dat sprake was van opzettelijke wederrechtelijke toe-eigening van de auto door de verdachte en dus voor bewezenverklaring van de tenlastegelegde verduistering.”
9. Naast de rechtspraak die in mijn hiervoor geciteerde conclusie voorafgaande aan HR 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:416 de revue passeerde, is ook de zaak die leidde tot het arrest van 22 maart 2022 van belang. In die zaak deed de Hoge Raad het tegen de veroordeling vanwege verduistering ingestelde cassatieberoep af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Uit de gebruikte bewijsvoering van het hof bleek dat de verdachte een auto die toebehoorde aan een garagebedrijf uit Roosendaal had meegenomen nadat hij een koopovereenkomst met betrekking tot die auto had ondertekend. Betaling en levering van die auto zouden op een later tijdstip plaatsvinden. Na het ondertekenen van de overeenkomst vroeg de verdachte aan de verkoopmedewerker van de garage of hij de auto aan zijn vrouw mocht laten zien, zulks met de toezegging dat hij daarna meteen met de auto zou terugkomen. De verkoopmedewerker stemde met dit verzoek van de verdachte in. De verdachte liet de auto aan zijn vrouw zien, maar bracht de auto niet terug naar de garage. In plaats daarvan reed hij de volgende dag met deze auto naar familie in Friesland. Zo ver kwam hij echter niet. Rijdend in de richting van Leeuwarden werd hij door de politie staande gehouden. In die zaak kan uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden worden opgemaakt dat de verdachte niet slechts had verzuimd de auto tijdig aan de garage terug te geven, maar óók dat hij de auto aanzienlijk langer had gebruikt en bovendien voor en ander doeleind dan hem krachtens leenovereenkomst met de garage was toegestaan en waarvoor hem de auto was meegegeven. Die omstandigheden boden grond voor het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester had beschikt over de auto door deze in strijd met de afspraak onder zich te houden en te gebruiken voor een familiebezoek elders (totdat de politie hem liet stoppen). De verwerping van het cassatieberoep met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering betekende dat ’s hofs veroordeling ter zake van verduistering in stand bleef.
Bespreking van het middel
10. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. Blijkens de bewijsvoering heeft het hof het volgende vastgesteld. De verdachte geeft op 28 maart 2017 bij autobedrijf [A] B.V. te Amsterdam te kennen dat hij geïnteresseerd is in het kopen van een nieuwe auto ter waarde van ongeveer € 20.000,- en laat weten een proefrit te willen maken met een Honda CRV uit 2014. Alvorens deze Honda aan hem wordt meegegeven, ondertekent de verdachte een proefritformulier. In dat formulier staat opgenomen dat de Honda CRV met kenteken [kenteken] in eigendom toebehoort aan het autobedrijf en door dat bedrijf aan de verdachte in bruikleen is gegeven van 28 maart 2017 te 13:18 uur tot 28 maart 2017 te 14:00 uur. De auto wordt echter in strijd met de gemaakte afspraak niet (tijdig) teruggebracht bij het autobedrijf. De autoverkoper probeert tevergeefs de verdachte te bellen op het door hem opgegeven telefoonnummer; het nummer blijkt niet in gebruik te zijn. Op 28 maart 2017 omstreeks 19:10 uur zien twee surveillerende politieagenten de door de verdachte bestuurde Honda CRV over de rijksweg A2 rijden komende uit de richting van Amsterdam en rijdende in de richting van Maastricht. Op dat moment geven deze agenten, die ervan op de hoogte zijn dat de Honda CRV vermoedelijk is gestolen of verduisterd, een stopteken aan de bestuurder van het voertuig. De verdachte negeert het stopteken en verhoogt de snelheid van de auto. De agenten zetten direct daarop de optische en geluidssignalen van het opvallende dienstvoertuig aan. De Honda CRV geeft aan deze signalen geen gehoor, verhoogt zijn snelheid, neemt afslag 47 richting Born, rijdt aan het einde van de afrit met hoge snelheid tussen de aldaar wachtende personenauto’s en negeert een rood verkeerslicht, waardoor een groene personenauto door hard remmen ternauwernood de Honda CRV weet te ontwijken. Na nog enkele snelheidsovertredingen te hebben gemaakt, wordt de verdachte uiteindelijk omstreeks 19:15 uur door de agenten aangehouden. Bij de voorgeleiding in verband met zijn aanhouding verklaart de verdachte dat hij de Honda CRV waarin hij reed had geleend bij een autogarage voor een proefrit, dat hij deze niet heeft teruggebracht en dat dit zijn eigen schuld was. [7] Deze vaststellingen van het hof worden in cassatie niet bestreden.
11. Het op deze vaststellingen gebaseerde kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester heeft beschikt over de Honda CRV door deze in strijd met de op schrift gestelde afspraak met het autobedrijf meerdere uren onder zich te houden en te gebruiken om daarmee van Amsterdam naar Zuid-Limburg te rijden, acht ik niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat, anders dan de steller van het middel aanvoert, hier niet sprake is van een geval waarin uit de bewijsvoering van het hof
enkelblijkt dat de verdachte een geleend voertuig niet tijdig aan de eigenaar/rechthebbende heeft teruggegeven. Naast de omstandigheid dat de verdachte de auto langer onder zich heeft gehouden dan afgesproken en niet zelf heeft teruggebracht, blijkt uit de bewijsvoering immers ook dat hij de auto langer dan waartoe hij op basis van de afspraak gerechtigd was daadwerkelijk actief als vervoermiddel heeft gebruikt. Voorts heeft de verdachte de auto voor een geheel ander doel gebruikt dan het maken van de afgesproken proefrit, daar hij de auto als persoonlijk vervoermiddel heeft gebruikt om van Amsterdam naar een meer dan 150 kilometer verderop gelegen locatie in Zuid-Limburg te rijden. Verder blijkt uit de bewijsvoering dat de verdachte zich niet bereikbaar heeft gehouden voor de eigenaar van de auto doordat het door hem aan de verkoper van het autobedrijf opgegeven telefoonnummer niet in gebruik bleek te zijn. Ten slotte heeft het hof als in dit kader relevante uit de bewijsvoering blijkende (bijkomende) omstandigheid kunnen betrekken dat aan het met de afspraak strijdige gebruik van de geleende auto door de verdachte pas een einde is gekomen door zijn aanhouding door de politie en dat de verdachte zich aan die aanhouding heeft proberen te onttrekken door niet te reageren op een stopteken van een politieauto en met hoge snelheid weg te vluchten.
11. Deze hiervoor vermelde, door het hof vastgestelde, feiten en omstandigheden brengen mee dat toereikend is gemotiveerd het oordeel van het hof dat de verdachte zich de Honda CRV wederrechtelijk heeft toegeëigend. Van een grensgeval waarin getwijfeld kan worden of de bewezenverklaarde verduistering voldoende met redenen is omkleed, is mijns inziens geen sprake. [8] Dat brengt mee dat het middel faalt.
III. Slotsom
13. Ik recapituleer dat het eerste en het tweede middel slagen op de gronden die zijn vermeld in mijn conclusie van 12 april 2022. Het – in deze aanvullende conclusie – besproken derde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik ook nu niet aangetroffen. Ik herhaal hier dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 20 december 2019 zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, maar dat vernietiging van de bestreden uitspraak vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie mij niet nodig lijkt, nu ik in mijn conclusie van 12 april 2022 tot vernietiging van de uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het hof heb geconcludeerd.
14. Ook deze aanvullende conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, [9] te dien aanzien tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie onder meer: HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253,
2.Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR),
3.Zie onder meer: HR 9 juni 1941, ECLI:NL:HR:1941:20,
4.Zie in die zin, en met nadere verwijzingen, mijn conclusies vóór HR 6 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:492 en HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1231 (ECLI:NL:PHR:2021:171 en ECLI:NL:PHR:2020:538). Zie tevens Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR),
5.Zie ECLI:NL:PHR:2021:370, randnummers 4.1-4.7.
6.Vgl. ook HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1314, waarin de Hoge Raad de zaak in een soortgelijk geval afdeed met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
7.Dat de verdachte heeft verklaard dat dit zijn eigen schuld was, blijkt uit bewijsmiddel 4.
8.Van de relevante bijkomende omstandigheden die A-G Frielink heeft onderscheiden in zijn conclusie voorafgaande HR 8 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:848 (ECLI:NL:PHR:2021:370, randnummer 4.7), en die zijn weergegeven in het citaat dat is opgenomen in randnummer 8 van deze conclusie, zijn in deze zaak niet minder dan vijf van de zeven aan de orde, namelijk de omstandigheden die daar bij het eerste, het tweede, en het vierde tot en met het zesde liggende streepje zijn aangeduid.
9.Volledigheidshalve breng ik in herinnering dat ik in mijn conclusie van 12 april 2022 in dit verband het volgende heb opgemerkt: “In beginsel is in de vernietiging van de strafoplegging mede begrepen de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, maar niet de beslissing als bedoeld in art. 361 Sv Pro omtrent een vordering van de benadeelde partij (zie HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:232,