ECLI:NL:HR:2020:171

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2020
Publicatiedatum
30 januari 2020
Zaaknummer
19/01556
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 aanhef en letter y WBRArt. 2 lid 1 WBR
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing netwerkvrijstelling overdrachtsbelasting voor zendmasten

Belanghebbende verkreeg in 2010 de juridische eigendom van 80 zendmasten die worden gebruikt voor telecommunicatiedoeleinden. Belanghebbende betaalde geen overdrachtsbelasting bij deze verkrijging, waarop de Inspecteur een naheffingsaanslag oplegde.

Het geschil betrof de vraag of de verkrijging van deze zendmasten vrijgesteld is van overdrachtsbelasting op grond van de netwerkvrijstelling in artikel 15, lid 1, aanhef en letter y, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR). Het Hof oordeelde dat de zendmasten weliswaar onroerende zaken zijn, maar dat geen sprake is van een net zoals bedoeld in de netwerkvrijstelling.

Belanghebbende stelde in cassatie dat de zendmasten wel degelijk deel uitmaken van een net en dat de vrijstelling daarom van toepassing is. De Hoge Raad verwierp dit middel en sloot zich aan bij de motivering van het Hof en het arrest in een gerelateerde zaak (ECLI:NL:HR:2020:170).

De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten. Hiermee blijft de naheffingsaanslag in stand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/01556
Datum14 februari 2020
ARREST
in de zaak van
[X1] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2019, nr. 18/00304, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/5565) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 6 augustus 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:800).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op 29 september 2010 de juridische eigendom van 80 zendmasten verkregen van [A] B.V. Deze zendmasten zijn vrijstaande antenne-opstelpunten, bestaande uit betonnen funderingen met daarop stalen mastconstructies (hierna: de zendmasten). De zendmasten worden onder meer ten behoeve van het telecommunicatienetwerk van [A] B.V. gebruikt. Belanghebbende is niet gerechtigd tot aan de zendmasten gekoppelde voorwerpen voor telecommunicatie, zoals kabels, leidingen, antennes en schotels.
2.1.2
Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van de eigendom van de zendmasten geen overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.
2.1.3
De Inspecteur heeft ter zake van de verkrijging van de eigendom van de zendmasten aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd.
2.2.1
Voor het Hof was in geschil of de verkrijging van de zendmasten is vrijgesteld van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter y, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR), ook wel aangeduid als de netwerkvrijstelling.
2.2.2
Het Hof heeft bij de beoordeling van het beroep op die bepaling tot uitgangspunt genomen dat de verkrijging van de zendmasten een verkrijging van onroerende zaken als bedoeld in artikel 2, lid 1, WBR is. Uit de tekst en de parlementaire geschiedenis van de netwerkvrijstelling heeft het Hof afgeleid dat belanghebbende zich op die vrijstelling niet kan beroepen, omdat belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet een net heeft verkregen als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef en letter y, WBR.
2.3
Het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 vermelde oordeel van het Hof. Het betoogt vanuit diverse invalshoeken dat belanghebbende met de verkrijging van de zendmasten wel een net als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef en letter y, WBR heeft verkregen.
2.4
Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 19/01555 (ECLI:NL:HR:2020:170), waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2020.