ECLI:NL:HR:2020:172
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing netwerkvrijstelling overdrachtsbelasting voor verkrijging zendmasten
Belanghebbende verkreeg in 2011 de juridische eigendom van 252 zendmasten, welke gebruikt worden voor telecommunicatiedoeleinden. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op omdat belanghebbende geen aangifte deed.
Het geschil betrof de vraag of deze verkrijging vrijgesteld was van overdrachtsbelasting op grond van de netwerkvrijstelling (artikel 15, lid 1, aanhef en letter y, WBR). Het Hof oordeelde dat de zendmasten wel onroerende zaken zijn, maar dat geen sprake is van een net zoals bedoeld in de vrijstelling, waardoor geen vrijstelling van toepassing is.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de zendmasten wel degelijk een net vormen dat onder de vrijstelling valt. De Hoge Raad verwierp dit middel en verwees daarbij naar een gelijktijdig arrest waarin dezelfde juridische overwegingen zijn toegepast. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting blijft gehandhaafd.