ECLI:NL:HR:2020:1729
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vrijstelling diplomatieke ambtenaar voor parkeerbelasting
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag stelde een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €63,15 op aan een diplomatiek ambtenaar, gedetacheerd vanuit Bulgarije als nationaal lid van Eurojust. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat hij vrijgesteld was van deze belasting vanwege zijn diplomatieke status.
De heffingsambtenaar voerde aan dat parkeerbelasting een heffing wegens verleende diensten is en daarom niet onder de vrijstelling van artikel 34, letter e, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer valt. Het Hof verwierp dit standpunt en oordeelde dat parkeerbelasting als belasting en niet als retributie moet worden gezien, mede op basis van parlementaire geschiedenis.
In cassatie betoogde het College dat het Hof een te strikte uitleg had gegeven aan artikel 34, letter e, van het Verdrag. De Hoge Raad bevestigde echter dat deze bepaling zo moet worden uitgelegd dat heffingen die uitsluitend bijdragen aan kosten van verleende diensten zijn uitgezonderd van vrijstelling, maar parkeerbelasting ook een regulerend karakter heeft. Daarom is de vrijstelling van parkeerbelasting voor diplomatieke ambtenaren gerechtvaardigd. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de vrijstelling van parkeerbelasting voor diplomatieke ambtenaren.