Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
10 november 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam in een zaak over medeplegen van gewoontewitwassen via hawala-bankieren en deelname aan een criminele organisatie. De verdachte had beroep ingesteld tegen het hofarrest.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor de duur van de gevangenisstraf, met vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het hofarrest niet tot vernietiging konden leiden, behalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden.
De overschrijding van de redelijke termijn was het gevolg van te late indiening van stukken door het hof en het feit dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf met dertien maanden, waarbij de Hoge Raad de straf vaststelde op twaalf maanden.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur, verminderde de straf en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 10 november 2020 door de vice-president en twee raadsheren.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot twaalf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.