ECLI:NL:HR:2020:180

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2020
Publicatiedatum
31 januari 2020
Zaaknummer
19/03636
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing inzake beslag op gegevensdragers in strafvordering

In deze zaak heeft het openbaar ministerie cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin het beklag van een klaagster over beslag op dertien gegevensdragers gegrond werd verklaard en teruggave werd gelast onder voorwaarde van een beslissing van het OM per 28 juni 2019.

De Hoge Raad oordeelt dat het belang van de klaagster bij teruggave niet zonder nadere motivering zwaarder kan wegen dan het belang van de strafvordering. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat de wet geen voorwaardelijke teruggave kent; de rechter moet het klaagschrift ongegrond verklaren als het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave, en anders teruggave gelasten.

Ook wijst de Hoge Raad erop dat teruggave niet kan worden gelast voor voorwerpen die in een andere zaak aan een andere klager zijn toegekend. Gezien deze overwegingen vernietigt de Hoge Raad het bestreden deel van de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling en beslissing.

De overige onderdelen van het cassatiemiddel worden verworpen. De beschikking is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad tijdens een openbare terechtzitting op 4 februari 2020.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het bestreden deel van de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/03636
Datum4 februari 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 mei 2019, nummer RK 19/685, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend
door
[klaagster 2],
geboren op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover de rechtbank het beklag ten aanzien van bepaalde inbeslaggenomen voorwerpen (voorwaardelijk) gegrond heeft verklaard en de teruggave daarvan heeft gelast per 28 juni 2019 en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het oordeel van de rechtbank dat het belang van de klaagster bij teruggave van dertien in de beschikking van de rechtbank vermelde gegevensdragers “thans, na een half jaar”, zwaarder moet wegen dan het belang van strafvordering, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.3.
2.3
Naar aanleiding van de gegrondverklaring door de rechtbank van het beklag ten aanzien van de hierboven genoemde goederen “per 28 juni 2019” en het gelasten van de teruggave daarvan aan de klaagster “indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen” merkt de Hoge Raad nog het volgende op. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van een voorwaardelijke beslissing over strafvorderlijk inbeslaggenomen voorwerpen. Is de rechter van oordeel dat het belang van strafvordering zich (nog) verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, dan dient hij het klaagschrift waarin de teruggave van die voorwerpen wordt verzocht ongegrond te verklaren. Is daarvan geen sprake, dan dient in de regel teruggave te worden gelast (vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1692).
2.4
De wet voorziet er ook niet in dat - zoals in de onderhavige zaak en de daarmee samenhangende zaak met nummer 19/03651 is beslist - de teruggave wordt gelast van voorwerpen ten aanzien waarvan in een andere zaak een last tot teruggave aan een andere klager is of wordt gegeven.
2.5
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover betrekking hebbend op de dertien voorwerpen ten aanzien waarvan het beklag “per 28 juni 2019” gegrond is verklaard en waarvan de teruggave aan de klaagster is gelast “indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen”;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt behandeld en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 februari 2020.