Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Procesverloop
3.Het oordeel van de rechtbank
Het standpunt van de klagers
belanghebbendeeen klachtrecht wordt toegekend) van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 5.4.10, derde lid, Sv, maar deze bepaling dient in samenhang met het bepaalde in artikel 5.4.10, eerste en tweede lid 1, Sv te worden verstaan.
niet-ontvankelijkin hun beklag voor zover dat ziet op de inbeslaggenomen papieren gegevens;
gegrondvoor zover dat ziet op de inbeslaggenomen digitale gegevens (door klagers aangeduid als “Elektronische Gegevens”) en bepaalt dat deze gegevens in handen worden gesteld van de rechter-commissaris ex artikel 98 Sv Pro, opdat deze het schoningsproces van het beslag kan (doen) uitvoeren en tevens erop kan toezien dat alle stukken die vallen onder het verschoningsrecht van klagers aan hen worden teruggegeven dan wel worden vernietigd.’’
4.Het juridische kader
1. Indien zulks voor de uitvoering van het bevel noodzakelijk of gewenst is, stelt de officier van justitie het Europees onderzoeksbevel, voor zover nodig met toepassing van artikel 181, in handen van de rechter-commissaris. De officier van justitie omschrijft in een schriftelijke vordering welke verrichtingen van de rechter-commissaris worden verlangd. De vordering kan te allen tijde worden ingetrokken.
2. De rechter-commissaris stelt de door hem ter uitvoering van het bevel vergaarde voorwerpen, stukken en gegevens zo spoedig mogelijk ter beschikking aan de officier van justitie.
art. 5.4.9 Sv:
3. In afwijking van het eerste lid, kan indien de uitvaardigende autoriteit voldoende heeft gemotiveerd dat een onmiddellijke overdracht essentieel is voor het goede verloop van het onderzoek of voor de bescherming van de individuele rechten, aan de uitvaardigende autoriteit bewijsmateriaal vergaard ter uitvoering van het bevel voorlopig ter beschikking worden gesteld, indien en voor zover dit geen ernstige en onomkeerbare schade toebrengt aan de belangen van de belanghebbende. De voorlopige terbeschikkingstelling vindt plaats onder de voorwaarden dat het Nederlandse recht onverkort blijft gelden ten aanzien van de overhandigde resultaten en dat het gebruik daarvan als bewijsmiddel pas mogelijk is nadat deze definitief ter beschikking worden gesteld.
4. (…)
art. 5.4.10 Sv:
2. Indien de officier van justitie redenen heeft om aan te nemen dat een inbeslaggenomen voorwerp niet uitsluitend aan de beslagene toebehoort of gevorderde of vastgelegde gegevens in overwegende mate betrekking hebben op een andere persoon dan bij wie deze zijn gevorderd, doet hij de nodige naspeuringen naar deze directe belanghebbende in Nederland teneinde hem een kennisgeving bedoeld in het eerste lid te doen toekomen.
3. De artikelen 552a, eerste tot en met zesde lid, 552d, eerste en tweede lid [8] , en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het bevel, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift.
4. De rechtbank beslist binnen dertig dagen na ontvangst van het klaagschrift. Indien beroep in cassatie wordt ingesteld, beslist de Hoge Raad binnen negentig dagen na indiening van de schriftuur. Artikel 447 is Pro van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor indiening van middelen van cassatie veertien dagen bedraagt.
5. Indien een klaagschrift is ingediend, stelt de officier van justitie de uitvaardigende autoriteit daarvan onverwijld in kennis, onder vermelding van de gronden van het klaagschrift. De uitvaardigende autoriteiten worden op dezelfde wijze van de beslissing op het klaagschrift in kennis gesteld.
5.Het eerste middel
Dit staat los van het recht van een ieder die op grond van artikel 552a Sv kan gelden als belanghebbende, om een klaagschrift in te dienen(onderstreping AG TS).” [31]
De rechter-commissaris is betrokken bij de uitvoering van een EOB, indien voor de uitvoering van het EOB bevoegdheden nodig zijn die naar Nederlands recht zijn voorbehouden aan de rechter-commissaris of diens toestemming vereisen. Voorts kan de rechter betrokken worden door instelling van een rechtsmiddel; in het bijzonder het indienen van een klaagschrift uit hoofde van artikel 552a Sv. De instelling van een rechtsmiddel heeft in beginsel geen opschortende werking op de uitvoering van het EOB – zo beantwoord ik een vraag die deze leden tevens stelden. Dat vloeit voort uit artikel 14, zesde lid, van de richtlijn. Datzelfde artikellid bepaalt echter dat lidstaten bij implementatie van de richtlijn aansluiting kunnen zoeken bij hun nationale recht, als dat wel een opschortende werking kent. In lijn hiermee is in artikel 5.4.9, eerste lid, bepaald dat de overdracht van de resultaten van de uitvoering van een EOB indien klaagschrift is ingediend of nog kan worden ingediend, pas plaatsvindt nadat onherroepelijk is beslist op het klaagschrift. Dit is alleen anders indien de uitvaardigende autoriteit voldoende heeft gemotiveerd dat een onmiddellijke overdracht essentieel is voor het goede verloop van het onderzoek of voor de bescherming van de individuele rechten, aan de uitvaardigende autoriteit bewijsmateriaal vergaard ter uitvoering van het bevel voorlopig ter beschikking worden gesteld (vgl. artikel 5.4.9, derde lid). Dit betekent ook dat in veel gevallen sprake zal zijn van een of meerdere vormen van rechterlijke controle vooraf: controle als gevolg van een klaagschrift op grond van de artikelen 5.4.10 juncto 552a Sv (behoudens het geval van voorlopige terbeschikkingstelling), en daarnaast eerder al controle indien ter uitvoering van het EOB bevoegdheden moeten worden toegepast door de rechter-commissaris of waarvan de inzet diens toestemming behoeft. Daarmee is de regeling van toepassing van bevoegdheden dezelfde als die in nationale strafrechtelijke onderzoeken. Ik zie niet waarom in het kader van de samenwerking binnen de Europese Unie zou moeten worden afgeweken van de nationale regeling, zoals de leden van de SP-fractie voorstelden.’’
6.Het tweede middel
corpora et instrumenti delictibetreffen. Het ligt, gelet op de aard van de procedure van het EOB waarbij een snelle, doeltreffende en consistente samenwerking in strafzaken voorop staat en in aanmerking genomen dat aan de procedure van het EOB het vertrouwensbeginsel ten grondslag ligt, volgens de steller van het middel meer voor de hand dat dit onderzoek op de weg ligt van de uitvaardigende autoriteit na overdracht van het beslag.
corpora et instrumenti delicti,zie ik niet. Niet alleen omdat de wetgever nadrukkelijk heeft overwogen dat de versnelde beklagprocedure voor verschoningsgerechtigden ook van toepassing is in het kader van een EOB [45] , maar vooral omdat de Richtlijn en de wet in voorkomende gevallen erin voorzien dat de daarvoor benodigde informatie (zo nodig na overleg met de uitvaardigende autoriteit, zie bijv. art. 5.4.4 lid 1 aanhef en onder a) aan de officier van justitie dan wel de rechter kan worden verstrekt terwijl deze informatie tegelijkertijd aan de beslagene en/of de verschoningsgerechtigde kan worden onthouden indien dat in het belang van de vertrouwelijkheid gewenst is (bijv. door art. 23 lid Pro 5, tweede volzin buiten toepassing te laten met toepassing van lid 6). [46] De verplichte vertrouwelijkheid van het onderzoek en/of het EOB heeft (mijns inziens) met name betrekking op de geheimhouding ten overstaan van de betrokkenen en niet zo zeer ten overstaan van de autoriteiten die volgens de nationale regels betrokken zijn bij het uitvoeren en toetsen van het bevel. Ik merk daarbij nog op dat art. 14 lid 2 Richtlijn Pro en art. 5.4.10 lid 3 Sv niet als beletsel kunnen worden gezien voor de beoordeling of sprake is van een geslaagd beroep op het verschoningsrecht omdat deze beoordeling geen verband houdt met de materiële gronden van het uitvaardigen van het EOB. [47]