ECLI:NL:HR:2020:1801

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 december 2020
Publicatiedatum
13 november 2020
Zaaknummer
18/03050
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 341 SrArt. 225 SrArt. 420ter SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
12 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf en omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij beleggingsfraudezaak

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een zaak over beleggingsfraude, valsheid in geschrift, bedrieglijke bankbreuk en gewoontewitwassen. De verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan deze strafbare feiten gepleegd door een rechtspersoon.

De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het hofarrest voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en de toepassing van vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregelen, met een vermindering van de straf en de mogelijkheid om gijzeling van gelijke duur toe te passen. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over strafmotivering en toewijzing van vorderingen onvoldoende waren voor vernietiging.

Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat leidde tot vermindering van de gevangenisstraf tot drie jaar en zeven maanden. Tevens vernietigde de Hoge Raad ambtshalve de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel en bepaalde dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd het hofarrest deels vernietigd en aangepast, met name op het punt van strafduur en de wijze van tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot drie jaar en zeven maanden en vervangende hechtenis bij schadevergoeding omgezet in gijzeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/03050
Datum8 december 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juli 2018, nummer 21/004497-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partijen, vertegenwoordigd door de [A] , heeft J.W.P.M. van der Velden, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar slechts voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van die gevangenisstraf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in de bijlage bij het arrest genoemde slachtoffers vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

4.1
Het hof heeft de verdachte de verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis.
4.2
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast en wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;
- vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze drie jaren en zeven maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 december 2020.