Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
oplichting”. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] toegewezen tot een bedrag van € 30.000,-. De vordering heeft betrekking op de (materiële) schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onder 1 primair bewezen verklaarde oplichting. Het bewezen verklaarde feit is gepleegd in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 15 november 2010.
wordt geschatterwijl het hof vervolgens heeft overwogen dat
de betalingsverplichtingop grond daarvan zal worden verminderd. Volgens de steller van het middel biedt het oorspronkelijke dictum van het arrest van 2 februari 2021 geen duidelijkheid of alleen de betalingsverplichting dan wel ook de hoogte van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat met een bedrag van € 30.000,- is verminderd. Blijkens het herstelarrest van 5 februari 2021 vindt de verdiscontering echter alleen in de betalingsverplichting plaats. Voor zover al acht kan worden geslagen op het herstelarrest, blijft het dictum tegenstrijdig met de overwegingen van het hof. Bovendien heeft het hof de in de strafzaak toegewezen vordering van de benadeelde partij ten onrechte betrokken bij het bepalen van de betalingsverplichting terwijl het hof die vordering in mindering had moeten brengen op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aldus de steller van het middel. Tot slot merkt de steller van het middel op dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 36e lid 9 Sr.
voor zover die zijn voldaan”. [3]
op juiste wijzede aan de benadeelde partij in rechte toegekende schadevergoeding in mindering heeft gebracht.
hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeeltweemaal terug te betalen, zij het aan verschillende (rechts)personen. Anders dan bijvoorbeeld de voor het delict gemaakte kosten, die – zoals dat heet – voor de baat uitgaan (en daarmee de hoogte van de voordeel reduceren), is de verplichting tot schadevergoeding niet onlosmakelijk aan de baat verbonden. De toewijzing van een civiele vordering doet dan ook niet af aan de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel zelf. De verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij regardeert alleen de hoogte van het bedrag dat daarnaast nog verschuldigd is aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. [8]
Het EHRM kwam tot het oordeel dat art. 7 EVRM Pro was geschonden. Het overwoog daartoe onder meer dat:
.”
” de meest gunstige is. Ook in dit verband verwijs ik naar het hiervoor genoemde arrest van het EHRM in de zaak Scoppola.” [16]
NJ2012/237 m.nt. Mevis, bepaald dat de in artikel 577c (oud) Sv voorziene maatregel van lijfsdwang heeft te gelden als ‘penalty’ in de zin van artikel 7 lid 1 EVRM Pro. De van de in artikel 577c (oud) Sv iets afwijkende regeling aangaande het dwangmiddel gijzeling in het huidige artikel 6:6:25 Sv Pro geeft geen aanleiding deze kwalificatie daarop niet van toepassing te achten. [17] Nu de wijziging van artikel 88 Sr Pro per 1 januari 2020 bepalend is voor de maximale duur van de gijzeling die kan worden gevorderd en er dus sprake is van een verandering van regels van sanctierecht, dient de wijziging van artikel 88 Sr Pro per 1 januari 2020 op de onderhavige zaak te worden toegepast. Dit betreft immers de bepaling die voor de betrokkene “
of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment” de meest gunstige is. Dit betekent dat de maximale duur van de gijzeling die bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel kan worden bepaald maximaal (3 jaren x 360 dagen =) 1080 dagen beloopt.