Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
8 december 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 8 december 2020 het cassatieberoep verworpen van een verdachte die was veroordeeld voor het opzettelijk telen van hennep en diefstal van elektriciteit. De verdachte stelde dat bewijsuitsluiting noodzakelijk was vanwege een onherstelbaar vormverzuim, omdat een politieagent die in privétijd op bezoek was bij de verdachte zonder toestemming en ondanks een verbod de slaapkamer betrad en een hennepkwekerij aantrof.
Het hof had vastgesteld dat de politieagent in privétijd handelde en dat zijn handelen niet kon worden aangemerkt als opsporing in de zin van artikel 132a Sv. De agent had pas vier tot vijf weken later na overleg met zijn leidinggevende een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, waarna het opsporingsonderzoek rechtmatig werd gestart met een huiszoeking en ontmanteling van de kwekerij.
De Hoge Raad bevestigde dat het handelen van de politieagent in privétijd niet viel onder voorbereidend onderzoek of opsporing, zodat artikel 359a Sv niet van toepassing was op het vermeende vormverzuim. Ook als het handelen onrechtmatig zou zijn, leidt dit niet tot bewijsuitsluiting, omdat het nadeel voor verdachte door ontdekking van het strafbare feit geen rechtens te respecteren nadeel is.
Het cassatieberoep faalde derhalve en het arrest van het hof bleef in stand. De uitspraak benadrukt de grenzen van bewijsuitsluiting bij vormverzuimen in voorbereidend onderzoek en het belang van het onderscheid tussen privéhandelen en opsporingsactiviteiten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor opzettelijk telen van hennep en diefstal van elektriciteit.