Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
15 december 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd verdacht van medeplichtigheid aan oplichting bij de verkoop van smartphones via een website. Het hof had geoordeeld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij behulpzaam was bij oplichting, omdat hij onder meer zijn bedrijfsinschrijving, bankrekening en betaalmethode ter beschikking stelde.
De verdachte verklaarde echter dat hij handelde in vertrouwen op medeverdachte, die de legale verkoop zou verzorgen, en dat hij zich niet had vergewist van de daadwerkelijke handelspraktijken. Hij ontving een vergoeding, maar had geen zicht op de bedrijfsvoering of bankactiviteiten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel niet zonder meer kan dragen, omdat het mede gebaseerd is op verklaringen die juist aangeven dat verdachte uitging van een legale handel en vertrouwen had in medeverdachte. Het hof heeft onvoldoende vastgesteld dat verdachte het vereiste opzet had op oplichting.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het oordeel over medeplichtigheid betreft en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde berechting en afdoening.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs van opzet voor medeplichtigheid.