ECLI:NL:HR:2020:2091
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling premieplicht volksverzekeringen bij rijnvarendenovereenkomst zonder A1-verklaring
Belanghebbende, werkzaam als rijnvarende bij een Luxemburgse werkgever, verzocht in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 2014 om vrijstelling van premieplicht wegens betaling van premies in Luxemburg. De Inspecteur verleende vrijstelling slechts voor de periode 1 september tot 31 december 2014, maar legde premies op voor de periode 1 januari tot 31 augustus 2014.
Het hof oordeelde dat alleen de sociale zekerheidsrechter bevoegd was om te beoordelen of premieplicht bestond wanneer in een andere lidstaat premies waren betaald, en dat de belastingrechter deze beoordeling niet mocht doen. Dit zou dubbele procedures en ongelijkheid veroorzaken, wat in strijd zou zijn met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel en artikel 47 van Pro het Handvest.
De Hoge Raad verwierp deze overwegingen en oordeelde dat de Belastingdienst en belastingrechter wel bevoegd zijn om de premieplicht vast te stellen, ook als geen A1-verklaring is afgegeven. Het beroep in cassatie werd gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij de vrijstelling voor de premieplicht werd afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat belanghebbende premieplichtig is voor de volksverzekeringen en wijst de vrijstelling af.