ECLI:NL:HR:2020:1151
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt premieplicht volksverzekeringen voor januari 2013 ondanks ontbreken A1-verklaring
Belanghebbende was in 2013 deels in dienst bij een Nederlands bedrijf en deels bij een Cypriotisch bedrijf, waarbij de Belgische socialeverzekeringswetgeving van toepassing was van februari 2013 tot april 2014. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had voor die periode A1-verklaringen afgegeven, maar niet voor januari 2013. Belanghebbende verzocht om vrijstelling van de premie volksverzekeringen over 2013.
Het Hof oordeelde dat de belastingrechter niet bevoegd was om de premieplicht voor januari 2013 te beoordelen omdat dit onder de SVB viel en dat belanghebbende niet tweemaal over dezelfde kwestie mocht procederen. Volgens het Hof betekende het ontbreken van een SVB-besluit dat er geen premieplicht voor januari 2013 was.
De Hoge Raad stelt dat de inspecteur op grond van de artikelen 57 en 58 Wfsv en artikel 11 AWR Pro wel bevoegd en verplicht is om de premieplicht vast te stellen, ook als de SVB geen A1-verklaring heeft afgegeven. De Hoge Raad benadrukt dat de rechtskracht van A1-verklaringen voor andere lidstaten bindend is, maar dat de beoordeling van premieplicht voor de belastingrechter openstaat. Het arrest vernietigt het oordeel van het Hof en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank dat belanghebbende premieplichtig is voor januari 2013.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaart het cassatieberoep gegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat belanghebbende premieplichtig is voor de volksverzekeringen over januari 2013 en vernietigt het arrest van het Hof dat dit anders oordeelde.