Belanghebbende, een Rijnvarende werkzaam in 2014 deels in Luxemburg en Liechtenstein, werd door de Belastingdienst aangeslagen voor premie volksverzekeringen over de periode 1 januari tot en met 31 augustus 2014. Over deze periode waren al premies ingehouden in Luxemburg, ondersteund door een E101-verklaring die later werd ingetrokken. De SVB had geen oordeel gegeven over de Nederlandse premieplicht en er ontbrak een bindende A1-verklaring.
De rechtbank wees het beroep van belanghebbende af, maar het hof oordeelt dat de Belastingdienst niet bevoegd is om premies te heffen zolang de SVB niet heeft vastgesteld dat belanghebbende in Nederland premieplichtig is. Dit volgt uit EU-verordeningen en de Rijnvarendenovereenkomst die bepalen dat een persoon slechts aan één lidstaat sociale premies mag betalen.
Het hof benadrukt dat de beoordeling van premieplicht voor volksverzekeringen exclusief aan de SVB en de bestuursrechtelijke rechterlijke kolom toekomt, niet aan de belastingrechter. Zonder een SVB-besluit of A1-verklaring mag de Belastingdienst niet heffen. De aanslag wordt daarom verminderd en de kosten worden aan de inspecteur opgelegd. Dit voorkomt dubbele heffing en waarborgt rechtszekerheid voor grensarbeiders.