ECLI:NL:HR:2020:230

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2020
Publicatiedatum
7 februari 2020
Zaaknummer
19/03689
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.2 WVW 1994Art. 457 lid 1 onder c SvArt. 470 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens ongeldigverklaring rijbewijs na vrijspraak rijden onder invloed

De aanvrager werd in 2007 veroordeeld voor rijden onder invloed in 2006, waarna het CBR zijn rijbewijs ongeldig verklaarde vanwege het niet voldoen aan een opgelegde educatieve maatregel. In 2016 sprak het hof Amsterdam de aanvrager vrij van die beschuldiging wegens onvoldoende bewijs. In 2019 werd de aanvrager bij verstek veroordeeld voor het rijden in 2017 terwijl zijn rijbewijs ongeldig was.

De aanvrager verzocht om herziening van deze veroordeling, stellende dat de vrijspraak uit 2016 het ongeldigverklaringsbesluit van het CBR zou moeten doen vervallen, waardoor de veroordeling in 2019 onterecht was. De Hoge Raad oordeelde dat de onherroepelijke beslissing van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs niet met terugwerkende kracht vervalt door de latere vrijspraak.

Daarmee kon het aangevoerde niet worden aangemerkt als een nieuw gegeven dat tot herziening zou kunnen leiden. De Hoge Raad wees het herzieningsverzoek daarom af en bevestigde de veroordeling wegens rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het herzieningsverzoek af en bevestigt de veroordeling voor rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/03689 H
Datum11 februari 2020
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 29 januari 2019, nummer 96/241009-17, ingediend door G. Lieffijn, advocaat te Den Helder,
namens
[aanvrager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De politierechter heeft de aanvrager ter zake van “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” gepleegd op 25 februari 2017, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.De conclusie van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag zal afwijzen.

4.Beoordeling van de aanvraag

4.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens lid 1, aanhef en onder c, van artikel 457 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2.1
De aan de aanvraag tot herziening, met de bijgevoegde bijlagen, ten grondslag liggende feiten en omstandigheden houden onder meer het volgende in.
De verdenking bestond dat de aanvrager op 10 december 2006 - als beginnend bestuurder - een auto heeft bestuurd terwijl hij onder de invloed was van alcohol. De politie heeft aan het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) gemeld dat bij de aanvrager een adem-alcohol gehalte is gemeten van meer dan 0,8 promille. Het CBR heeft daarin aanleiding gezien de aanvrager te verplichten tot deelname aan de Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (hierna: EMA). De aanvrager heeft daaraan niet voldaan. Daarop heeft het CBR per 5 november 2007 het rijbewijs van aanvrager ongeldig verklaard.
De aanvrager is, op 14 september 2007, door de politierechter veroordeeld wegens - kort gezegd - rijden onder invloed van alcohol op of omstreeks 10 december 2006. Met betrekking tot die veroordeling uit 2007 heeft de aanvrager op 12 december 2014 een aanvraag tot herziening ingediend waarbij is aangevoerd dat sprake zou zijn van een persoonsverwisseling. Die aanvraag uit 2014 is door de Hoge Raad gegrond verklaard en de zaak is verwezen naar het hof Amsterdam (zie HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:523). Het hof Amsterdam, oordelend in herziening, heeft bij arrest van 23 november 2016 de aanvrager vrijgesproken van het tenlastegelegde rijden onder invloed van alcohol. Het heeft de vrijspraak erop gegrond dat niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de aanvrager degene is geweest die op of omstreeks 10 december 2006 onder invloed van alcohol heeft gereden.
4.2.2
De huidige aanvraag tot herziening heeft betrekking op een vonnis van de politierechter van 29 januari 2019. Bij dat vonnis is de aanvrager - bij verstek - veroordeeld voor het op 25 februari 2017 besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. In de aanvraag is aangevoerd dat het de ongeldigverklaring van het rijbewijs door het CBR in 2007 is die ten grondslag ligt aan deze veroordeling in 2019, en dat deze ongeldigverklaring is voortgevloeid uit de veroordeling van de aanvrager in 2007. De aanvraag berust voorts op de stelling dat de consequentie van het arrest van het hof Amsterdam van 23 november 2016 is, dat het rijbewijs van aanvrager niet door het CBR ongeldig had mogen worden verklaard. De aanvrager verbindt daaraan de conclusie dat, als de politierechter met het arrest van het hof uit 2016 bekend was geweest, het onderzoek van de zaak niet tot de veroordeling door de politierechter van 29 januari 2019 zou hebben geleid.
4.3
Het aangevoerde kan niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 4.1 vermeld. Het rijbewijs van de aanvrager is in 2007 door het CBR ongeldig verklaard omdat de aanvrager niet heeft meegewerkt aan de EMA. De omstandigheid dat de aanvrager in 2016 door het hof Amsterdam is vrijgesproken van het rijden onder invloed van alcohol in 2006, brengt niet mee dat het (onherroepelijke) besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van aanvrager - met terugwerkende kracht en van rechtswege - is komen te vervallen.
4.4
Hieruit volgt dat het in de aanvraag aangevoerde niet kan worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is dus ongegrond en moet op grond van artikel 470 Sv Pro worden afgewezen.

5.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 februari 2020.