Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
Het Hof heeft deze vaststellingen uit de uitspraak van 13 juli 2017 ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat het teruggaafverzoek 2015 zeker te laat is ingediend.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende verhuurde een onroerende zaak en diende twee verzoeken in tot teruggaaf van omzetbelasting over de periode 2010-2013, nadat de huurder geen huur meer betaalde en belanghebbende failliet werd verklaard. Beide verzoeken werden door de Inspecteur afgewezen vanwege vermeende te late indiening.
Het Hof oordeelde dat het tweede teruggaafverzoek te laat was ingediend, mede gebaseerd op een eerdere uitspraak over het eerste verzoek. Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof artikel 8:69 Awb Pro had geschonden door buiten de grenzen van het geschil te treden, aangezien partijen hadden verklaard dat het verzoek tijdig was gedaan.
De Hoge Raad stelde vast dat de vraag over tijdigheid buiten het geschil viel en dat het Hof onterecht deze kwestie ambtshalve had beoordeeld. Verder bevestigde de Hoge Raad dat de omzetbelasting teruggegeven moet worden omdat vaststond dat de vergoeding niet is en niet zal worden ontvangen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en de eerdere uitspraken, en veroordeelde de Staatssecretaris en Inspecteur tot vergoeding van kosten en teruggaaf van €202.959 aan belanghebbende. Hiermee werd het recht op teruggaaf bevestigd ondanks het eerdere oordeel over tijdigheid.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het recht op teruggaaf van omzetbelasting en vernietigt de eerdere afwijzende uitspraken.