Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Wettelijk kader en parlementaire geschiedenis
kunnenworden verminderd, en in de belastingwet voorziene verminderingen, ontheffingen en teruggaven ambtshalve
kunnenworden verleend, laat de in sommige belastingwetten bestaande
verplichtingeneen zodanige vermindering ambtshalve te verlenen onverlet. Vergelijk bijv. voor de grondbelasting artikel 56 van Pro de wet van 26 mei 1870 (S. no. 82).
5.(Nieuwe) jurisprudentie
vgl. HR 27 februari 2009, nr. 07/12914, ECLI:NL:HR:2009:BD9217, BNB 2009/203)’ (curs. R.B.). Met de drie letters ‘vgl.’ geeft de Hoge Raad het signaal af dat de rechtsregel (‘een verplichting met een waarde in het economische verkeer kan onderdeel zijn van box 3’) niet letterlijk terug valt te vinden in het precedentenarrest uit 2009, maar dat deze wel aan die beslissing ten grondslag lag. Wat eenvoudiger verwoord, bevestigt en verduidelijkt het arrest uit 2018 de in het 2009-arrest geformuleerde rechtsregel. Er is geen sprake van ‘nieuwe jurisprudentie’ in de zin van het genoemde besluit. De aanslag 2013 dient verminderd te worden.” [51]
6.Literatuur over de nieuwe jurisprudentie-eis
7.Kader voor nieuwe jurisprudentie
prosepective overrulinggeldt als ‘nieuwe jurisprudentie’.
prospective overrulingbetekent dit dat de Hoge Raad aangeeft dat hij omgaat en dat de nieuwe regel enkel van toepassing is op nieuwe gevallen. Een van de weinige voorbeelden hiervan is het arrest van 24 mei 2002 [71] over de aankoopkosten van een deelneming. De Hoge Raad overwoog het volgende:
prospective overrulingtoepast, dan is de nieuwe jurisprudentie-eis bijna een dode letter. Daar staat tegenover dat dit wel een duidelijke en eenvoudig toepasbare uitleg van het begrip ‘nieuwe jurisprudentie’ oplevert.
prospective overrulingzou kunnen worden aangemerkt als nieuwe jurisprudentie. De eerste opvatting valt wat mij betreft daarom af.
8.Toepassing op de zaak
BNB2009/113 schreef Mertens:
Kamerstukken II1994/95, 24 172, A). Deze bijzondere omstandigheden doen zich in dit geval niet voor. Het oordeel van de Hoge Raad dient te worden gerespecteerd.” [87]
Gelet op haar strekking gaat de overgangsregeling van artikel 38 Wet Pro LB immers voor boven het bepaalde in artikel 3.82 Wet IB 2001 (zie HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF7264).[onderstreping door mij – RJK]
Evenals de overgangsregeling van artikel 38 Wet Pro LB gaat de overgangsregeling van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, aanhef en letter b, Invoeringswet Wet IB 2001 op grond van haar strekking voor boven artikel 3.82 Wet IB 2001.[onderstreping door mij – RJK]
de regels die daarvoor golden op 31 december 2000 op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Aan de regels van de Wet LB 1964 wordt in die bepaling niet gerefereerd, maar die stap kan worden genomen door te verwijzen naar art. 22 lid 2 aanhef Pro Wet IB 1964 dat op 31 december 2000 bepaalde dat het begrip loon wordt opgevat overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting. Dat de Hoge Raad dan wat betreft de regels van de Wet LB 1964 ook uitgaat van de situatie op 31 december 2000 ligt dan goed beschouwd zelfs voor de hand.” [89]
tenzij[onderstreping door mij - RJK]: (…) de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan”.