Conclusie
1.Overzicht van de zaak en van de conclusie
art. 3.82(b) Wet IB 2001van toepassing geacht. Op grond van die bepaling worden tot het loon gerekend uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een andere mogendheid als bedoeld in art. 1.7(2)(c) Wet IB 2001, behoudens voor zover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting. Het Hof legt deze bepaling toegepast op deze zaak zo uit dat een splitsing moet plaatsvinden: de RV-uitkeringen zijn belast in box 1 voor zover zij voortkomen uit het gedeelte van de aanspraak dat voortvloeit uit in Duitsland aftrekbare premies, en voor het overige deel is de aanspraak een box 3bezitting.
twee cassatiemiddelenvoor. De strekking daarvan is dat hoe dan ook
art. 3.82(b) Wet IB 2001nietvan toepassing is. Primair niet (
middel I), omdat aan de toepassing van dat artikel niet wordt toegekomen, omdat de RV-uitkeringen onder art. 3.81 Wet IB 2001 vallen. Subsidiair niet (
middel II), omdat de RV-uitkeringen niet zijn aan te merken als uitkeringen op grond van ‘een pensioenregeling van een andere mogendheid’.
kwalificatievraagaan de orde: op grond van welke bepaling zijn de RV-uitkeringen belast in box 1: art. 3.81 Wet IB 2001 (middel I), art. 3.82(b) Wet IB 2001 (het Hof), of art. 3.100(1)(a) Wet IB 2001 (gevolg middel II)?
zaakoverstijgend belangvan middel I is gelegen in de verhouding tussen art. 3.81 Wet IB 2001 en art. 3.82(b) Wet IB 2001. Wie afgaat op de wettekst, de toelichting op art. 3.82(b) Wet IB 2001 en HR BNB 2021/90, zou al snel de indruk kunnen krijgen dat uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een andere mogendheid zonder meer onder art. 3.82(b) Wet IB 2001 vallen. De vraag is of die indruk juist is, gelet op de wetsystematiek. Het belang van deze kwestie is niet beperkt tot RV-uitkeringen. Samenhangend: de kwestie kan ook van belang zijn voor de gevolgen in de IB/PVV van een aanwijzing op grond van art. 19d Wet LB van een buitenlandse pensioenregeling als pensioenregeling voor toepassing van de Wet LB. Specifiek met betrekking tot RV-uitkeringen rijst de vraag of het arrest HR BNB 1994/281 nog onverkort van toepassing is, zoals de Staatssecretaris tot uitgangspunt neemt. De beoordeling van middel I kan verder impact hebben op een beleidsbesluit uit 2014 over buitenlandse socialezekerheidsuitkeringen, waaronder RVuitkeringen. Ook middel II snijdt een kwestie aan met een zaakoverstijgend belang, namelijk de uitlegging van het begrip (pensioen)regeling van een andere mogendheid zoals nader omschreven in art. 1.7(2)(c) Wet IB 2001. Ik meen echter om meer dan een reden dat daaraan niet wordt toegekomen.
verhouding tussen de cassatiemiddelen en de Hof-uitspraak. Ik constateer dat een
discrepantiebestaat tussen het geschil in cassatie en het geschil waarover het Hof heeft geoordeeld: de kwestie waar het Hof de meeste aandacht aan heeft besteed (
de wijzevan toepassing van art. 3.82(b) Wet IB 2001), staat in cassatie niet ter discussie, en de kwestie waar het Hof nauwelijks aandacht aan heeft besteed (de
toepasselijkheidvan art. 3.82(b) Wet IB 2001) wordt in cassatie wel ter discussie gesteld. Hoewel ik een andersluidend oordeel ook mogelijk acht gelet op de gang van zaken ter zitting van het Hof, meen ik dat
middel Iwel inhoudelijk kan worden onderzocht; het primaire standpunt van de Inspecteur (‘loon uit vroegere dienstbetrekking’) moet naar mijn inzicht worden begrepen als een beroep op art. 3.81 Wet IB 2001 en de Inspecteur heeft dat standpunt niet ingetrokken (4.8). Het gebrek aan stellingname door de Inspecteur breekt de Staatssecretaris overigens naar mijn mening uiteindelijk wel op (vgl. 9.35-9.37), maar het vergt eerst inhoudelijk onderzoek van het middel om tot die conclusie te komen. Ook
middel IIligt gecompliceerd. Ik meen uiteindelijk dat daarbij niet aan de materieelrechtelijke kwestie wordt toegekomen. Aangezien de Inspecteur niet heeft betwist dat sprake is van ‘een pensioenregeling van een andere mogendheid’, maar sterker nog juist uitging van de toepasselijkheid van art. 3.82(b) Wet IB 2001, klaagt het middel tevergeefs dat het Hof heeft nagelaten om dat te toetsen (10.4-10.5).
onderdeel 5enige aspecten van de Duitse Rentenversicherung. Vervolgens komt in
onderdeel 6het fiscaal-juridisch kader aan bod, te weten het loonbegrip van art. 3.81 Wet IB 2001 en de omkeerregel (6.1-6.8), het begrip aanspraak ingevolge een pensioenregeling (6.9-6.11), en de plaats van art. 3.82(b) Wet IB 2001 in de wettelijke systematiek (6.12-6.21). Daarna volgt in
onderdeel 7een uiteenzetting van jurisprudentie over de fiscale behandeling van buitenlandse (oudedags)uitkeringen, waaronder het arrest HR BNB 1994/281, dat een centrale plaats inneemt in het betoog van de Staatssecretaris.
Onderdeel 8geeft een overzicht van beleid en andere uitlatingen over de fiscale behandeling van buitenlandse socialezekerheidsuitkeringen, waaronder het Besluit 2014 dat meermaals terugkomt in mijn beschouwing.
beschouwingover het
eerste middel. Ik zet uiteen dat HR BNB 1994/281 niet meer zonder meer leidend is, omdat het fiscale (pensioen)kader is gewijzigd (9.8-9.14). Naar de huidige fiscale maatstaven is naar mijn mening een Rentenversicherungaanspraak niet een aanspraak waarop de omkeerregel van toepassing is. Een Rentenversicherungaanspraak kan namelijk niet worden aangemerkt als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling in de zin van art. 11(1)(c) Wet LB (9.15-9.23) en zij valt evenmin onder de regeling van art. 11(1)(f) Wet LB (9.25-9.30). Indien de omkeerregel niet van toepassing is, zijn de uitkeringen niet aan te merken als loon in de zin van art. 3.81 Wet IB 2001. De verwijzing van de Staatssecretaris naar het Besluit 2014 doet daaraan niet af, omdat dit beleid een belastingplichtige als uitgangspunt niet tegengeworpen kan worden (9.24). Opmerking bij dit een en ander verdient dat ik aan het Besluit 2014 niet kan ontlenen dat de staatssecretaris daarin via een collectieve aanwijzing de Rentenversicherung heeft aangewezen als pensioenregeling op grond van art. 19d Wet LB (9.22). Er speelt echter nog wel een temporeel element: voor de vraag of RV-uitkeringen zijn aan te merken als loon op grond van de omkeerregel is bepalend de kwalificatie van de aanspraak naar de (Nederlandse) maatstaven in de jaren waarin de aanspraak tot stand is gekomen (9.31-9.34). Omdat de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat sprake is van loon uit vroegere dienstbetrekking, rustte op hem de stelplicht dat de Rentenversicherungaanspraak onder de omkeerregel valt naar de Nederlandse maatstaven in de jaren van de totstandkoming van de aanspraak. Aan die stelplicht heeft de Inspecteur niet voldaan (9.35-9.37). Voor het geval de Hoge Raad anders oordeelt, meen ik dat verwijzing dient te volgen (9.38).
tweede middel. Zoals hiervoor al opgemerkt, meen ik dat dit middel tevergeefs klaagt dat het Hof heeft nagelaten te toetsen of sprake is van ‘een pensioenregeling van een andere mogendheid’ (10.4-10.5). Voor het geval toch aan de materieelrechtelijke kant van het middel wordt toegekomen, meen ik dat gelet op het Besluit 2014 de Staatssecretaris zich niet met vrucht erop kan beroepen dat de RV-uitkeringen niet zijn aan te merken als uitkeringen op grond van een ‘pensioenregeling van een andere mogendheid’ (10.6-10.9).
beroep in cassatievan de Staatssecretaris
ongegrondte verklaren.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
nietvan toepassing is: (i) primair: art. 3.81 Wet IB 2001 is van toepassing, en (ii) subsidiair: de RV-uitkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van art. 3.82(b) Wet IB 2001, omdat zij geen “uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een andere mogendheid” zijn.
3.Het geding in cassatie
nietop grond van art. 3.82(b) Wet IB 2001, maar op grond van art. 3.81 dan wel art. 3.100(1)(a) Wet IB 2001 belast zijn. Ik kom daarop terug in 4.8.
Alsart. 3.82(b) Wet IB 2001 wel van toepassing is, dan zijn de daarop voortbouwende oordelen van het Hof dus niet in geschil.
6.Juridisch kader algemeen
Het loonbegrip in de Wet IB 2001 en de omkeerregel
loon: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting, met dien verstande dat, voorzover nodig in afwijking van die bepalingen, fooien en dergelijke prestaties van derden in aanmerking worden genomen voor het werkelijk genoten bedrag.”
loonwordt gerekend:
onzuiverepensioenregelingen worden belast als inkomsten uit vermogen op basis van de saldomethode. Datzelfde gold voor buitenlandse pensioenregelingen die naar Nederlandse maatstaven onzuiver zijn, met dien verstande dat – zie het elfde lid – de belastingplichtige in verband met de (“min” bij de) toepassing van de saldomethode aannemelijk kan maken dat ter zake van de verkrijging van de desbetreffende aanspraak in het buitenland geen belastingfaciliteit is genoten. [28]
7.Jurisprudentie over buitenlandse publiekrechtelijke ouderdomsvoorzieningen
overeenkomstigetoepassing van artikel 19d van de Wet LB”.
Rentenversicherungzoals neergelegd in het [Besluit 2001; MP]. Hof Amsterdam ziet geen reden dat de bijdragen aan de
Cotisations pensioneen andere fiscale behandeling ten deel zouden moeten vallen dan de bijdragen aan de Rentenversicherung. Aan het [Besluit 2001; MP] ligt echter geen nadere verantwoording ten grondslag voor de behandeling van bijdragen aan de
Rentenversicherungals ware het een pensioenregeling. Douven heeft in het verleden ook zijn twijfels geuit over de fiscaal-theoretische juistheid van het aanmerken van de
Rentenversicherungals ware het een aanvullende pensioenregeling in de zin van de Wet LB 1964, het hier vervolgens op voortborduren in het Nederlandse kwalificatiebeleid.649 Desalniettemin fungeert de fiscale behandeling van bijdragen aan de
Rentenversicherungals ijkpunt (…).
Premies voor buitenlandse eerstepijlervoorziening aftrekbaar, PensioenMagazine 2007/77, par. ‘Gelijkheidsbeginsel’.”
9.Beschouwing in verband met het eerste middel
lex specialis, die bij uitsluiting regelt wat de inkomstenbelastingbehandeling is van uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een andere mogendheid als bedoeld in art. 1.7(2)(c) Wet IB 2001. Toegegeven moet worden dat de toelichting op het artikel (zie 6.13) de indruk kan wekken dat art. 3.82(b) Wet IB 2001 de (enige) bepaling is die de wijze van heffing over uitkeringen van buitenlandse pensioenregelingen regelt. [67] Maar ik zie onvoldoende aanknopingspunten om art. 3.82(b) Wet IB 2001 als een
lex specialisaan te merken. Een aanknopingspunt daarvoor is niet te vinden in de wettekst (er staat niet ‘in zoverre in afwijking van (…)’ of iets dergelijks) en de toelichting op de bepaling geeft weliswaar een bepaalde indruk maar zij biedt geen expliciete aanknopingspunten. De wetshistorie – te weten de omstandigheid dat het artikel de opvolger is van art. 25(1)(g)(2°) en art. 25(11) Wet IB 1964 – duidt er bovendien op dat het artikel betrekking heeft op buitenlandse pensioenregelingen die naar Nederlandse maatstaven ‘onzuiver’ zijn (vgl. 6.18) en waarvan de uitkeringen daarom niet onder art. 3.81 Wet IB 2001 vallen. Tot slot, ook op het in 6.21 genoemde arrest HR BNB 2021/90 kan naar mijn mening om de in 6.22 genoemde reden niet worden gebaseerd dat indien sprake is van een uitkering op grond van een pensioenregeling van een andere mogendheid als bedoeld in art. 1.7(2)(c) Wet IB 2001, die uitkering alleen onder art. 3.82(b) Wet IB 2001 kan vallen.
waaromde aanspraak waaruit de Rente voortvloeit, berust op een vrijgestelde pensioenaanspraak of socialezekerheidsaanspraak. Hij besteedt geen aandacht aan de voorwaarden voor die vrijstellingen: hij oordeelt alleen, zo begrijp ik, dát de uitkering op een vrijgestelde aanspraak berust.
ishet een pensioenregeling voor de toepassing van art. 11(1)(c) Wet LB. Gezien het dwingende en objectieve karakter van art. 11(1) Wet LB (“Tot het loon behoren niet”) is de aanspraak die berust op die regeling dan
geen loon, en zijn de uitkeringen uit die aanspraak wel loon.
is(in de zin van Hoofdstuk IIB Wet LB), is geen sprake van een pensioenregeling in de zin van art. 11(1)(c) Wet LB en is wettelijk gezien de omkeerregel niet van toepassing. Aan een belastingplichtige kan de beleidsmatige behandeling daarom als uitgangspunt niet worden tegengeworpen. Er zou nog een (theoretische) boom over kunnen worden opgezet of een belastingplichtige wellicht wél gebonden is aan de beleidsmatige behandeling wat betreft de toepassing van art. 3.81 Wet IB 2001 bij de uitkering, indien de aanspraak eerder onbelast is gebleven op grond van het beleid. Of anders gezegd: zou een belastingplichtige een asymmetrisch beroep op beleid kunnen doen? Maar bij een belastingplichtige als belanghebbende speelt dat niet: hij viel in de periode van de totstandkoming van de Rentenversicherungaanspraak buiten de Nederlandse heffingsjurisdictie.
in de jaren van de totstandkoming van de aanspraak. [78] Dat gebrek aan stellingname valt weliswaar te verklaren door het verloop van het debat bij het Hof (vgl. 4.7), maar dat neemt niet weg dat de Inspecteur daarmee niet aan zijn stelplicht heeft voldaan in het kader van zijn standpunt dat sprake is van loon uit vroegere dienstbetrekking. Op de Inspecteur rustte die stelplicht aangezien enerzijds de Inspecteur zich op het rechtsgevolg van loon uit dienstbetrekking beriep en anderzijds belanghebbende zich juist op de toepasselijkheid van art. 3.82(b) Wet IB 2001 beriep (althans het Hof heeft zijn standpunt zo geduid; zie 4.7) en daarmee rechtskundig gezien de toepasselijkheid van art. 3.81 Wet IB 2001 betwistte.
10.Beschouwing in verband met het tweede middel
nietbuiten de rechtsstrijd gestreden en
evenminis er sprake van een verrassingsbeslissing. De Staatssecretaris klaagt daarover ook terecht niet in cassatie. Het Hof heeft immers het standpunt van belanghebbende begrepen als een beroep op art. 3.82(b) Wet IB 2001 (al dan niet met aanvulling van de rechtsgronden) én de Inspecteur daarover geïnformeerd (zie 4.7). Daarbij komt nog dat de Inspecteur, net als de Staatssecretaris, zelf bij zijn primaire standpunt heeft verwezen naar het Besluit 2014. In dat besluit wordt gesproken over “loon in de zin van de artikelen 3.81 en 3.82 van de Wet IB”. Het geschil voor het Hof heeft zich dus zo ontwikkeld dat expliciet de toepassing van art. 3.82(b) Wet IB 2001 in beeld is gekomen en het zwaartepunt van het debat daarop is komen te liggen. De Inspecteur heeft in dat kader
nietbetoogd dat art. 3.82(b) Wet IB 2001 niet van toepassing is. Sterker nog, blijkens het proces-verbaal van de zitting voor het Hof ging de Inspecteur juist uit van de toepasselijkheid van die bepaling en heeft hij vooral uiteengezet hoe zijns inziens dat artikel moet worden toegepast (zie 4.7). Om de redenen die zijn uiteengezet in 4.8 staat dit niet in de weg aan een inhoudelijk onderzoek van middel I wat betreft de toepassing van art. 3.81 Wet IB 2001. De procespositie van de Inspecteur wat betreft art. 3.82(b) Wet IB 2001 kan naar mijn mening de Staatssecretaris echter wél direct worden tegengeworpen voor zover het de kern van zijn middel II betreft, namelijk dat het Hof heeft nagelaten te toetsen of sprake is van een pensioenregeling van een andere mogendheid in de zin van art. 1.7(2)(c) Wet IB 2001. Dit kan de Staatssecretaris naar mijn mening wel worden tegengeworpen, omdat de Inspecteur niet heeft betwist dat van een dergelijke pensioenregeling sprake is. Sterker nog, het zij herhaald, de Inspecteur ging juist uit van de toepasselijkheid van art. 3.82(b) Wet IB 2001. Het Hof was daarom niet gehouden om de bedoelde toets uit te voeren, des te minder omdat het Besluit 2014 ook art. 3.82 Wet IB 2001 noemt. Zeker gelet op dat besluit, gaat het mijns inziens te ver om uit het subsidiaire standpunt van de Inspecteur af te leiden dat daarin een betwisting besloten ligt dat sprake is van een pensioenregeling van een andere mogendheid in de zin van art. 1.7(2)(c) Wet IB 2001. De Staatssecretaris verwijst (cassatieberoepschrift, p. 7) naar stellingen van de Inspecteur dat sprake is van een eerstepijlerpensioen, maar het Hof heeft die stellingen klaarblijkelijk opgevat als stellingen in het kader van het subsidiaire standpunt van de Inspecteur althans niet als een betwisting van de toepasselijkheid van art. 3.82(b) Wet IB 2001. Dat is een aan het Hof voorbehouden uitleg van de standpunten van de Inspecteur, die mijn inziens geenszins onbegrijpelijk is, zeker niet gelet op het Besluit 2014 en de gang van zaken ter zitting.
“Gelet op het vorenstaande kan er in de praktijk zoveel mogelijk van worden uitgegaan dat de uitkeringen bij de uitkeringsgerechtigde zelf zijn belast, en wel in de regel als loon in de zin van de artikelen 3.81 en 3.82 van de Wet IB.”Ik merk daarbij op dat ik ervan uitga dat met art. 3.82 Wet IB wordt gedoeld op onderdeel b van art. 3.82 Wet IB 2001.
“Dat neemt niet weg dat in bepaalde gevallen een zelfstandige toetsing aan de feitelijke situatie een ander standpunt rechtvaardigt, hetwelk dan ook moet worden gevolgd.”De Staatssecretaris stelt in zijn cassatieberoepschrift niet dat in dit geval een ander standpunt gerechtvaardigd is. Voor een zelfstandige toetsing aan de feitelijke situatie leent de cassatiefase zich bovendien niet. Daarbij komt dat de Inspecteur ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat er geen bijzondere omstandigheden zijn. [81] Opvallend is overigens dat waar de Staatssecretaris in het kader van middel I het Besluit 2014 aanhaalt, dit besluit onbesproken blijft in het kader van middel II.