Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
11 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) uit hennepteelt. De betrokkene stelde dat bij de schatting van het w.v.v. moest worden uitgegaan van één of twee oogsten en dat de verdeling van het voordeel tussen hem en drie mededaders anders moest worden gemotiveerd.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, maar dat dit geen gevolgen had voor het cassatieberoep.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en wees het cassatieberoep af. De compensatie voor de termijnoverschrijding kan worden toegepast in de hoofdzaak die samenhangt met deze ontnemingszaak.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsvordering blijft gehandhaafd.