ECLI:NL:HR:2020:240

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2020
Publicatiedatum
11 februari 2020
Zaaknummer
18/00190
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) uit hennepteelt. De betrokkene stelde dat bij de schatting van het w.v.v. moest worden uitgegaan van één of twee oogsten en dat de verdeling van het voordeel tussen hem en drie mededaders anders moest worden gemotiveerd.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, maar dat dit geen gevolgen had voor het cassatieberoep.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en wees het cassatieberoep af. De compensatie voor de termijnoverschrijding kan worden toegepast in de hoofdzaak die samenhangt met deze ontnemingszaak.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsvordering blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/00190 P
Datum11 februari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 december 2017, nummer 22/000366-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de betrokkene.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft D.M.P. van Eijsden, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 18/00173, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, kan worden toegepast in de hoofdzaak.
3.2
Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 februari 2020.