Conclusie
Nummer21/02290 P
De procedure in cassatie
Volgorde van bespreking
Het tweede middel – de termijnoverschrijding in hoger beroep
ernstige”) overschrijding van de redelijke termijn. [2] Het hof heeft te dien aanzien het volgende overwogen:
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene is vastgesteld en een betalingsverplichting is opgelegd.
De procureur-generaal bespreekt drie middelen van cassatie: motiveringsklachten over de bewezenverklaring van mensenhandel in de hoofdzaak, de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie. Het middel over de motivering faalt omdat de ontnemingsrechter gebonden is aan het oordeel in de hoofdzaak.
Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, maar verbond hieraan geen rechtsgevolgen in de ontnemingszaak omdat deze overschrijding reeds was verdisconteerd door strafvermindering in de gelijktijdige strafzaak. De Hoge Raad bevestigt dat dit oordeel geen onjuiste rechtsopvatting bevat.
Ten aanzien van de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie wordt erkend dat de termijn met vijf en een halve maand is overschreden. De Hoge Raad zal echter volstaan met de constatering van de overschrijding, mede omdat in de samenhangende strafzaak een strafvermindering is toegepast.
De conclusie luidt dat de redelijke termijn is overschreden, maar dat met deze enkele constatering kan worden volstaan zonder verdere gevolgen voor de ontnemingsvordering.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt vast dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, maar verbindt hieraan geen rechtsgevolgen in de ontnemingszaak vanwege strafvermindering in de gelijktijdige strafzaak.