Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met vierde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
4.Beslissing
18 februari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene centraal, waarbij het hof een betalingsverplichting van €349.000 oplegde. De betrokkene stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het in de hoofdzaak in beslag genomen en verbeurdverklaarde bedrag van €1.855 niet in mindering had gebracht op deze betalingsverplichting.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden oordeel, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting. De Hoge Raad oordeelde dat het hof inderdaad had verzuimd dit bedrag in mindering te brengen, wat in strijd is met artikel 33a lid 1 sub a Sr.
De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het vonnis dat de betalingsverplichting betrof en stelde zelf vast dat de betalingsverplichting verminderd moet worden tot €347.145. Voor het overige werd het beroep verworpen. Hiermee werd de betalingsverplichting voor ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel definitief vastgesteld.
Uitkomst: Betalingsverplichting tot ontneming verminderd tot €347.145 door in mindering brengen van verbeurdverklaard bedrag.