Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
3 maart 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of de periode waarin een TBS-maatregel met voorwaarden reeds dadelijk ten uitvoer is gelegd, in mindering moet worden gebracht op de totale duur van de TBS. De verdachte had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van dit verzoek door het hof Arnhem-Leeuwarden.
De Hoge Raad bevestigde dat de wettelijke duur van de TBS twee jaar bedraagt, te rekenen vanaf het moment waarop de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden. Hoewel de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar kan worden verklaard, betekent dit niet dat de reeds ondergane periode van behandeling in mindering komt op de totale duur. Dit volgt uit een redelijke uitleg van de relevante wetsartikelen, waaronder artikel 38d Sr en artikel 6:1:16 Sv Pro.
De Hoge Raad benadrukte dat het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid de uitzondering vormt op de hoofdregel dat een rechterlijke beslissing niet ten uitvoer wordt gelegd zolang een rechtsmiddel openstaat. De termijn van de TBS begint daarom te lopen op het moment dat het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ingaat. De klacht van de verdachte werd verworpen omdat hij geen belang had bij de klacht en de kwestie in voorkomende gevallen aan de rechter voor verlenging van de TBS is. Dit arrest sluit aan bij de geldende praktijk en eerdere jurisprudentie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat de termijn van de TBS met voorwaarden aanvangt bij het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid en niet wordt verminderd met reeds ondergane behandeling.