Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
17 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een wrakingsverzoek ingediend door een getuige die verzocht had om geheimhouding van zijn identiteit tijdens het verhoor. De raadsman van de verzoeker had namens hem een wrakingsverzoek ingediend omdat de rechter-commissaris geen besluit had genomen op het verzoek tot geheimhouding ex art. 226a en/of 226m Sv.
De wrakingskamer verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk omdat artikel 512 Sv Pro alleen ruimte biedt voor wrakingsverzoeken door de verdachte of het Openbaar Ministerie, niet door derden zoals getuigen.
De verzoeker stelde vervolgens cassatieberoep in tegen deze beslissing. De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, omdat artikel 515 lid 5 Sv Pro uitdrukkelijk bepaalt dat tegen een beslissing op een wrakingsverzoek geen rechtsmiddel openstaat.
De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Hiermee is de beslissing van de wrakingskamer definitief en kan niet verder worden aangevochten.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de beslissing op het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard.