ECLI:NL:PHR:2020:33

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 2020
Publicatiedatum
17 januari 2020
Zaaknummer
18/04668
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 515 lid 5 SvArt. 226a SvArt. 226m SvArt. 456 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen wrakingsbeslissing raadsheer-commissaris

De verzoeker was opgeroepen als getuige bij de raadsheer-commissaris van het gerechtshof Den Haag en diende een wrakingsverzoek in tegen deze raadsheer-commissaris. De wrakingskamer verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk omdat art. 512 Sv Pro alleen wraking door verdachte of openbaar ministerie toestaat. De verzoeker voerde aan dat de identiteit bij het verhoor verborgen moest blijven, maar dit werd niet toegewezen.

Tegen deze beslissing werd cassatieberoep ingesteld. De Procureur-Generaal adviseert echter het beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat art. 515 lid 5 Sv Pro geen rechtsmiddel tegen wrakingsbeslissingen toestaat. De doorbrekingsleer die in civiele wrakingszaken soms een uitzondering maakt, wordt in strafzaken niet toegepast.

De Hoge Raad volgt dit advies en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Hiermee wordt bevestigd dat wrakingsbeslissingen van raadsheren-commissarissen in strafzaken niet vatbaar zijn voor cassatie, behoudens cassatie in belang der wet. De zaak benadrukt de beperkte ontvankelijkheid van derden in wrakingsprocedures en de strikte toepassing van het rechtsmiddelenverbod.

Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de wrakingsbeslissing wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer18/04668
Zitting28 januari 2020
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verzoeker.

1.Inleiding

1.1.
De verzoeker is bij beslissing van 17 oktober 2018 door de wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het schriftelijk verzoek tot wraking als bedoeld in art. 512 Sv Pro van de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Den Haag.
1.2.
Namens de verzoeker heeft mr. M.J.G. Schroeder, advocaat te Voorburg, vier middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

2.1.
De verzoeker was gedagvaard om op 15 augustus 2018 door de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Den Haag als getuige te worden gehoord. Bij brief van 6 september 2018 heeft de raadsman namens de verzoeker een verzoek tot wraking van de raadsheer-commissaris gedaan, omdat de raadsheer-commissaris geen voor hoger beroep vatbare beschikking heeft gegeven op het door de raadsman namens verzoeker gedane verzoek om op grond van art. 226a en/of art. 226m Sv te bepalen dat de identiteit van de verzoeker bij de gelegenheid van diens verhoor verborgen zou worden gehouden. De meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningszaken heeft op 17 oktober 2018 de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek. Aan die beslissing is – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat art. 512 Sv Pro geen ruimte laat voor een wrakingsverzoek door anderen dan de verdachte of het openbaar ministerie. In eerdere rechterlijke uitspraken is weliswaar aanvaard dat ook bepaalde andere betrokkenen in een strafrechtelijke procedure dan de verdachte of het openbaar ministerie in een wrakingsverzoek ontvankelijk kunnen zijn. [1] Die omstandigheid doet zich in het geval van de verzoeker, die een voor een verhoor in een strafprocedure bij de raadsheer-commissaris opgeroepen getuige is, naar het oordeel van de wrakingskamer niet voor, omdat art. 6 EVRM Pro uitsluitend van toepassing is indien ten aanzien van de betrokkene sprake is van het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en of verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging.

3.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1.
Uitgangspunt is dat ingevolge art. 515 lid 5 Sv Pro tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel openstaat, zodat het cassatieberoep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. [2]
3.2.
Voor zover in de cassatieschriftuur ten aanzien van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep een beroep wordt gedaan op de zogenaamde ‘doorbrekingsleer’ geldt het volgende. Door de Hoge Raad is in civiele wrakingszaken een uitzondering geformuleerd op de regel dat tegen de beslissing van de wrakingskamer geen voorziening open staat (art. 39 lid 5 Rv Pro). Die uitzondering kan zich voordoen indien de rechter de regeling m.b.t. de wraking ten onrechte niet heeft toegepast, of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken. [3] De Hoge Raad pleegt bij strafrechtelijke wrakingsincidenten niet op een mogelijkheid van een uitzondering op art. 515 lid 5 Sv Pro te wijzen. [4] Ik zie in onderhavige zaak, die naar mijn mening door de wrakingskamer van het hof op een correcte wijze is behandeld, ook geen enkele aanleiding de Hoge Raad voor te stellen een uitzondering op het rechtsmiddelenverbod te maken.
3.3.
Het voorafgaande brengt mee dat nu op grond van art. 515 lid 5 Sv Pro tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel openstaat, het cassatieberoep in de onderhavige zaak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.Conclusie

4.1.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeker in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie voor een overzicht van deze jurisprudentie ook De Vocht in T&C Strafvordering, art. 512 Sv Pro, aant. 1 (online bijgewerkt t/m 1 juli 2019).
2.Vgl. HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3482 (niet gepubl.);
3.Zie HR 22 januari 1999, NJ 1999, 243.
4.Zie voor een jurisprudentieoverzicht in dit verband de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse voorafgaand aan HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7031 onder 3.4. Terzijde merk ik op dat cassatie in belang der wet tegen een wrakingsbeslissing wel mogelijk is (art. 456 lid 1 Sv Pro), zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770.