Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een borgtocht die door een directeur-grootaandeelhouder (dga) is gesteld om uitstel van betaling voor zijn onderneming te verkrijgen en een faillissementsaanvraag te voorkomen. De echtgenote van de dga stelde dat zij de borgtocht rechtsgeldig had vernietigd wegens het ontbreken van haar toestemming zoals vereist in het familierecht (art. 1:88 BW Pro).
De rechtbank en het hof oordeelden dat het toestemmingsvereiste niet van toepassing was omdat het hier een zakelijke borgtocht betrof die ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening was gesteld. De Hoge Raad stelt echter dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of de borgtocht daadwerkelijk tot de normale bedrijfsuitoefening behoorde, mede omdat de borgtocht diende om uitstel van betaling te verkrijgen en faillissement te voorkomen zonder dat daar een prestatie tegenover stond.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling. Tevens wijst de Hoge Raad de vordering van de dga tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen af, omdat cassatie slechts plaats biedt voor terugbetaling indien de Hoge Raad zelf het geding afdoet. De kosten van het cassatiegeding worden aan de wederpartij opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest, verwijst de zaak terug en wijst de vordering tot terugbetaling af.