ECLI:NL:HR:2020:487

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2020
Publicatiedatum
20 maart 2020
Zaaknummer
18/03338
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 ROArt. 69 AWR
Verwijzingen
5 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij belastingfraude

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in een strafzaak over belastingfraude, waarbij de verdachte leiding gaf aan het doen van opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting namens een BV.

De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder een klacht over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat het hof stukken te laat had ingezonden. De procureur-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest en strafvermindering.

De Hoge Raad oordeelde dat de klacht over de termijnoverschrijding gegrond was en dit aanleiding gaf tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden naar negentien maanden. De overige klachten werden verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en Claassens, op 24 maart 2020.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twintig naar negentien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/03338
Datum24 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het grechtshof Amsterdam van 17 juli 2018, nummer 23/000025-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De procureur-generaal J. Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot strafvermindering in de mate die de Hoge Raad goeddunkt, met verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
2.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 19 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier
E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 maart 2020.