Conclusie
feitelijk leidinggevenaan zijn vennootschappen. De vennootschappen schakelden een professionele tussenpersoon, een consulent, een fiscaal adviseur in, wiens kernactiviteit het regelen van de fiscaliteit omvatte. Wat ons betreft had deze fiscaal adviseur vol opzet op het doen van onjuiste aangiften - maar [verdachte] had dat niet.
door [C]daadwerkelijk verrichte verboden gedraging, namelijk het bewust opgeven van maandelijkse BTW-
schattingen, in plaats van de correcte, concreet verschuldigde bedragen.
gebrekaan opzet bij [verdachte]. Zojuist passeerden de volgende feiten en argumenten de revue:
mochtvertrouwen op de deskundigheid van [C];
daadwerkelijkop de deskundigheid van [C];
schattingenrecht te trekken met periodieke suppleties;
nietverdiept heeft in de toepasselijke regelgeving, en evenmin in de gebruiken die in de rechtspraktijk bestaan rond de naleving ervan. Hij vertrouwde simpelweg erop dat [C] alles regelde.
schattingenmet een periodieke suppletie onoirbaar of zelfs strafbaar zou kunnen zijn.”
eerste deelklachtvoert de steller van het middel aan dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, is het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk acht hetgeen de verdediging aan het verweer op het ontbreken van opzet op de strafbaarheid van de gedraging ten grondslag heeft gelegd. In dat verband wordt verwezen naar de ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 1] en gesteld dat daaruit “bezwaarlijk kan worden afgeleid dat hij heeft ontkend verzoeker te hebben verteld dat het mogelijk was maandelijks aangifte voor de omzetbelasting te doen op basis van schattingen en vervolgens middels suppletieaangiften de daadwerkelijk af te dragen omzetbelasting aan te geven”. Uit die verklaring en uit de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 2] kan volgens de steller van het middel worden afgeleid dat [C] – het boekhoudkantoor dat door de verdachte als enig bestuurder van de rechtspersonen [A] B.V. en [B] B.V. was belast met het indienen van de gezamenlijke aangiften voor de omzetbelasting – er op vertrouwde dat het doen van maandelijkse aangiften omzetbelasting op basis van een schatting, en het vervolgens door middel van suppletieaangiften aangeven van de daadwerkelijk af te dragen omzetbelasting, een toelaatbare handelswijze betrof. Daaruit heeft, zo wordt vervolgens aangevoerd, de verdachte afgeleid dat het doen van aangiften omzetbelasting op deze manier wettelijk toelaatbaar was en dus kon en mocht plaatsvinden.
tweede deelklachthoudt in “dat de bewezenverklaring van het feitelijk leiding geven aan het
opzettelijkdoen van onjuiste en onvolledige aangiften omzetbelasting onvoldoende met redenen is omkleed, althans dat het ter zake gevoerde verweer ontoereikend gemotiveerd is weerlegd”. Die klacht wordt in de schriftuur als volgt toegelicht:
slechtsis komen vast te staan dat de rechtspersonen waarbij de verdachte als feitelijke leidinggever betrokken is onjuiste of onvolledige aangiften hebben gedaan en namens hen later geen suppletieaangiften zijn ingediend. [5] Het hof heeft in de onderhavige zaak immers ook vastgesteld dat de verdachte – als (middellijk) enig aandeelhouder en enig bestuurder van de rechtspersonen – wist dat de maandelijkse bedragen in de aangiften voor de omzetbelasting niet juist waren en deze aangiften niettemin maandelijks namens de rechtspersonen werden gedaan. Dat het hof deze vaststellingen als voor het bewijs van het opzet van de verdachte relevante omstandigheid in de bewijsvoering heeft betrokken, acht ik niet onbegrijpelijk. [6]