Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] met toepassing van een onjuiste maatstaf heeft afgewezen en dat de afwijzing van een onbegrijpelijke en ontoereikende motivering is voorzien.
(…)
9. Appellant zal ter terechtzitting verweer voeren, waarbij appellant zich het recht voorbehoudt nieuwe verweren te voeren en de oproeping van getuigen en/of deskundigen te verzoeken die niet in de appelschriftuur zijn weergegeven. (…)’
De advocaat-generaal voegt aan haar reactie op de onderzoekswensen desgevraagd toe:
De eerste zes getuigen zijn allen verzocht om te onderbouwen dat verdachte suppletie-aangiften heeft ingediend ten aanzien van de omzetbelasting over de telastegelegde jaren. (…) De overige twee verzochte getuigen van [A] (waaronder [getuige 1]; JS) zijn slechts zijdelings betrokken geweest en in elk geval niet betrokken geweest bij de besprekingen rond het al dan niet ingediend hebben van de suppletie-aangiften door verdachte. Ik verzoek u daarom deze twee getuigen af te wijzen.’
tweede middelklaagt dat het onder 1. bewezenverklaarde opzet onvoldoende met redenen is omkleed en dat het hof het verweer, inhoudende dat verdachte dient te worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van opzet, op ontoereikende gronden heeft verworpen.
voorwaardelijkopzet bewezenverklaard.
gelijk isaan de verschuldigde omzetbelasting conform de berekening op basis van de grootboekadministratie; dat voor de overige maanden geldt dat dit niet het geval is en dat het bedrag op de aangifte meestal
lageris dan de berekening op basis van de grootboekadministratie en dat ten aanzien van de te
verrekenen(arcering door mij; JS) omzetbelasting de bedragen vermeld op de aangiften
meestalhoger zijn dan de bedragen op basis van de grootboekadministratie. Hieruit wordt geconcludeerd dat ‘er kennelijk ook aangiften waren waarbij juist het hoger resp. lager was, waardoor dus meer belasting verschuldigd werd dan daadwerkelijk het geval was’. Het middel gaat er aan voorbij dat in de bewezenverklaring niet alle maanden van het jaar 2008 zijn opgenomen (niet augustus en december) en voorts dat dit bewijsmiddel hiernaast inhoudt dat voor de maanden juni en juli het te
verrekenenomzetbelastingbedrag vermeld op de aangifte beide maanden precies € 30.000,- hoger is dan de berekening op basis van de grootboekadministratie. Bovendien heeft het hof in zijn arrest overwogen dat van belang is dat ten laste is gelegd dat in de genoemde tijdvakken opzettelijk onjuiste belastingaangifte is gedaan en dat precieze bedragen in de tenlastelegging niet zijn vermeld. Vorenstaande geldt op vergelijkbare wijze ten aanzien van de opmerking in de schriftuur over wat bewijsmiddel 4. inhoudt ten aanzien van het jaar 2007, te weten dat ‘voor de meeste maanden (…) geldt dat de verschuldigde belasting op de maandaangiften lager is dan de berekening op basis van de grootboekadministratie’, nu de maanden januari en december 2007 niet in de bewezenverklaring zijn opgenomen.
derde middelklaagt dat het onder 2. bewezenverklaarde opzet onvoldoende met redenen is omkleed en dat het hof het verweer, inhoudende dat verdachte dient te worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van opzet, op ontoereikende gronden heeft verworpen.
vierde middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.