ECLI:NL:HR:2020:5

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 januari 2020
Publicatiedatum
6 januari 2020
Zaaknummer
18/01509
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 317 SrArt. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
8 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling poging afpersing ondanks eerdere vrijspraak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte is veroordeeld voor poging tot afpersing. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken, maar het hof sprak hem in hoger beroep alsnog schuldig uit op basis van diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van getuigen en camerabeelden.

Het cassatiemiddel klaagde over de motivering van de bewezenverklaring en stelde dat het hof het ten laste gelegde feit niet zomaar kon bewezenverklaren na de vrijspraak van de rechtbank. De Hoge Raad oordeelde echter dat de zaak niet de bijzondere omstandigheden bevatte die in eerdere jurisprudentie tot een ambtshalve verhoor van getuigen zouden verplichten. De rechter in hoger beroep hoefde daarom niet nader te motiveren waarom hij de getuigenverklaringen betrouwbaar achtte.

Verder wees de Hoge Raad het beroep af omdat er geen andere gronden waren die tot vernietiging konden leiden. De uitspraak bevestigt dat het hof een eigen waardering van het bewijs mag maken, ook als die afwijkt van de rechtbank, mits de motivering voldoet aan de eisen van het recht.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de strafkamer van de Hoge Raad op 14 januari 2020.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor poging tot afpersing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/01509
Datum14 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 5 april 2018, nummer 22/000743-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te 's‑Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1
Het middel klaagt onder verwijzing naar art. 6 EVRM Pro over de (motivering van de) bewezenverklaring. Het betoogt dat het Hof het tenlastegelegde feit niet zonder meer kon bewezenverklaren nadat de Rechtbank de verdachte daarvan in eerste aanleg had vrijgesproken.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 23 april 2016 te Rijswijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [A] of die [slachtoffer]
- zichtbaar voor die [slachtoffer] een veerdrukpistool in zijn hand heeft gehouden en
- een veerdrukpistool in de rug van die [slachtoffer] heeft geduwd en
- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd “en nu open je de kassa” en
- die [slachtoffer] meermalen met een veerdrukpistool tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7 weergegeven bewijsmiddelen.
2.3
De onderhavige zaak wordt - anders dan het geval was in HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943 - niet gekenmerkt door de bijzonderheid dat de rechter in eerste aanleg heeft doen blijken dat hij een ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde, de verdachte belastende verklaring van een getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor het bewijs gebruikt, en de rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit is gekomen, terwijl de rechter in hoger beroep die verklaring wel voor het bewijs gebruikt. De in dat arrest voor dergelijke specifieke gevallen aanvaarde regel, die inhoudt dat de rechter in hoger beroep ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing de redenen voor het gebruik van die verklaring dient op te geven en in het bijzonder moet vermelden op welke gronden hij de desbetreffende verklaring betrouwbaar acht, waarbij die gronden kunnen maar niet behoeven te zijn ontleend aan een verhoor van de getuige in hoger beroep, vindt in deze zaak dan ook geen toepassing (vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1485, rov. 3.6). Evenmin doet zich een andere omstandigheid voor op grond waarvan het Hof gehouden was ambtshalve personen op te roepen en te horen en/of ambtshalve de in de bewijsmiddelen 6 en 7 genoemde camerabeelden ter terechtzitting te bekijken. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.
2.4
Ook voor het overige faalt het middel. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 januari 2020.