ECLI:NL:HR:2020:508

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2020
Publicatiedatum
23 maart 2020
Zaaknummer
17/03445
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225.2 SrArt. 3.1 Wet toezicht effectenverkeer 1995Art. 2:55.1 Wet op financieel toezichtArt. 70.1 SrArt. 72.2 Sr
Verwijzingen
11 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens verjaring bij feitelijk leiding geven aan overtreding financieel toezicht

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor meervoudig opzettelijk gebruik van vals geschrift en feitelijk leiding geven aan overtredingen van de Wet op het financieel toezicht (Wft) door een rechtspersoon. Het hof Amsterdam had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 86 dagen en een taakstraf van 240 uren.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft miskend dat het recht tot strafvordering voor overtredingen van artikel 2:55 lid 1 Wft Pro, gepleegd tussen 1 januari 2007 en 26 april 2007, was verjaard. Daarnaast geldt verjaring ook voor andere deelfeiten binnen het tenlastegelegde. Hierdoor verklaart de Hoge Raad het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor deze feiten.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam voor zover deze betrekking hebben op het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling en beslissing over de strafoplegging. Het beroep van het openbaar ministerie wordt verworpen voor het overige, evenals het beroep van de verdachte buiten het verjaringsaspect.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard voor een deel van de feiten wegens verjaring en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde strafoplegging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/03445
Datum24 maart 2020
ARREST
op de beroepen in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2017, nummer 23/000196-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Ook het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
Beide schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De raadslieden van de verdachte hebben het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep van de advocaat-generaal en tot vernietiging van de bestreden uitspraak ter zake van het onder 4 ten laste gelegde, tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van het onder 4 ten laste gelegde, alsmede tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam om in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof heeft miskend dat wat betreft feit 4, ten aanzien van de overtredingen van artikel 2:55 lid 1 van Pro de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) voor zover begaan tussen 1 januari 2007 en 26 april 2007, het recht tot strafvordering wegens verjaring was vervallen. Het cassatiemiddel voert voorts aan dat inmiddels meer deelfeiten zijn verjaard.
2.2
Aan de verdachte is onder 4 - kort weergegeven - tenlastegelegd:
- opdracht geven tot, althans feitelijk leiding geven aan, overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3 lid 1 van Pro de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995), opzettelijk begaan door een rechtspersoon in of omstreeks de periode 19 maart 2003 tot 1 juli 2005,
en
- opdracht geven tot, althans feitelijk leiding geven aan, overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3 lid 1 Wte Pro 1995, opzettelijk begaan door een rechtspersoon in of omstreeks de periode 1 juli 2005 tot 1 januari 2007,
en
- opdracht geven tot, althans feitelijk leiding aan, overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:55 lid 1 Wft Pro, begaan door een rechtspersoon in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot 12 mei 2009.
2.3
Het hof heeft overwogen dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde eerste deelfeit, voor zover het tenlastegelegde ziet op de periode van 19 maart 2003 tot 26 april 2005, wegens verjaring van het recht tot strafvordering niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Het Hof heeft het onder 4 tenlastegelegde voor het overige en het onder 3 tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 86 dagen en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
2.4
Gelet op de in dit geval toepasselijke straf- en verbodsbepalingen, die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6.5 zijn weergegeven, in samenhang met artikel 70 lid 1 en Pro artikel 72 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht beloopt de verjaringstermijn ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde eerste en tweede deelfeit ten hoogste twee maal zes jaren en ten aanzien van het derde deelfeit ten hoogste tien jaren. Wat betreft al deze feiten is dus het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.
2.5
Het cassatiemiddel is gegrond. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de uitspraak van het hof op dat punt, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging wat betreft het onder 4 tenlastegelegde.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen die namens de verdachte zijn voorgesteld
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van deze cassatiemiddelen niet nodig.
4. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep van het openbaar ministerie;
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2014, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 4 tenlastegelegde;
- wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien van de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep van de verdachte voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 maart 2020.