Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
en
en
5.Beslissing
24 maart 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor meervoudig opzettelijk gebruik van vals geschrift en feitelijk leiding geven aan overtredingen van de Wet op het financieel toezicht (Wft) door een rechtspersoon. Het hof Amsterdam had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 86 dagen en een taakstraf van 240 uren.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft miskend dat het recht tot strafvordering voor overtredingen van artikel 2:55 lid 1 Wft Pro, gepleegd tussen 1 januari 2007 en 26 april 2007, was verjaard. Daarnaast geldt verjaring ook voor andere deelfeiten binnen het tenlastegelegde. Hierdoor verklaart de Hoge Raad het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor deze feiten.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam voor zover deze betrekking hebben op het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling en beslissing over de strafoplegging. Het beroep van het openbaar ministerie wordt verworpen voor het overige, evenals het beroep van de verdachte buiten het verjaringsaspect.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard voor een deel van de feiten wegens verjaring en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde strafoplegging.