Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
21 april 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij betrokkene werd veroordeeld voor valsheid in geschrift en deelname aan een criminele organisatie met dat oogmerk.
Het hof Arnhem-Leeuwarden had vastgesteld dat betrokkene via zijn vennootschap een bedrag van €40.378 aan wederrechtelijk voordeel had verkregen uit de baten van de bewezen delicten. Deze vaststelling was gebaseerd op een rapport en verklaringen over bemiddelingsfees en factureringen.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het oordeel van het hof niet begrijpelijk was, omdat uit de vaststellingen niet zonder meer bleek dat betrokkene dit bedrag daadwerkelijk had ontvangen door middel van of uit de baten van de bewezen delicten. Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling.
De Hoge Raad benadrukte dat de ontnemingsvordering nauw moet aansluiten bij de bewezenverklaarde feiten en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel duidelijk moet worden toegerekend aan de betrokkene. De zaak wordt nu opnieuw behandeld door het hof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.